1547-1568 Spaanse bloei
Joannes en de andere kinderen van rechter Alef Beckenbrock genoemd Kloppenborg zijn waarschijnlijk geboren rond 1525-1535. Ze groeien op in een welvarend gezin in relatieve veiligheid. Zeker nadat dolle Curt in 1547 afgezet was, en keizer Karel V de macht overnam was er flinke groei in het graafschap. 1 De eerste jaren onder Habsburgse heerschappij stonden duidelijk in het teken van een economische en sociale bloei,
Er zijn regelmatig kleinere conflicten in de regio, maar het geweld is de eerste jaren redelijk beperkt. Alle kinderen van de Kloppenborg familie krijgen een goede opleiding, maar waar is onbekend.
1562: Joannes vervangt zijn vader als houtvester
In 1562 is vader Alef rond 72 jaar maar nog steeds actief als houtvester. Tijdens een ziekte verving Joannes zijn vader. De tekst van de zitting op 15 juni 1562 is bewaard gebleven:
In het jaar vijftienhonderdtweeënvijftig, op 15 juni, werd een Holting (rechtspraakvergadering) gehouden te Olden Lingen, bij de hofstede van Johan Haue, zoals gebruikelijk op deze plaats. Rechter van die zitting was Frye Engelbers, en de bijzitters (mede-rechters / gezworenen) waren de Corgenohten (Dingplichtigen / Schöffen). De eervolle en eerzame Wilhelm von Baer en Adolf von Limburg, drost en rentmeester van Lingen, waren in tegenwoordigheid (van de zitting). In tegenwoordigheid van de eerzame en hooggeleerde Gerhard van Oistendorp, raadsheer van de koning (Zijne Majesteit) in Overijssel, Drenthe en Lingen, en speciaal door Zijne Majesteit daartoe aangesteld.
Tot deze Holting behoren de ingezetenen van Olden-Lingen, van Bienen, van Holthusen en van Laxten, die hiertoe volgens oude gewoonte waren opgeroepen en gedagvaard.
Verschijnt Johannes Kloppenborch, die zijn vader vertegenwoordigt, aangezien deze als holtmeester wegens ziekte niet in staat is zelf aanwezig te zijn, samen met BeegerBeeger (getuigde), dat Johannes Kloppenborg inderdaad de volmacht had die zijn vader hem tevoren gegeven had, om in al diens zaken tegenover de rechter op te treden. Hij mocht dus tot deze Holting worden toegelaten. Dit werd hem als geldig erkend, aangezien de rechter een dergelijke volmacht in rechte bekrachtigde.
Daarop verzocht genoemde Kloppenborg aan de rechtbank dat de nieuwe instructies, die aan zijn vader gegeven waren om zijn ambt te bedienen, in rechte zouden worden voorgelezen. Dit werd hem toegestaan en uitgevoerd.
Na de voorlezing van de instructies verzocht Johann Kloppenborg verder, dat krachtens diezelfde instructies de maalluden, bageden en dienaren van de holtmeester beëdigd mochten worden.
Daarop traden de volgende personen naar voren en legden de eed af om de voorgelezen instructies naar hun vermogen na te leven en toezicht te houden:
- Cordes Dirk, maelman
- Hinrich Klyver, dienaar van de holtmeester in Olden-Lingen
- Hensen Gert uit Holthusen, maelman
- Koith Albert en Happen Johann, maalmannen in Bienen
- Woett Hermhan, maelman in Laxten
- Gert Dulle en Albert, op een hoeve
- Holtvesters dienaren Tyenn Hermhan en Hoene Gert, bageden (boden)
Johann Maler, namens de boeren van Laarte en Eihusen, klaagde erover dat de boeren van Nammel in het kerspel Baccum te vroeg plaggen (zoden snijden) op de markegronden van de Laarters, namelijk vóór mei. Hij stelde dat dit de Laarters schade deed, en verzocht dat de aangeklaagden daarop gewezen zouden worden, zodat de klagers hun marke ongestoord konden gebruiken en hun rechten gewaarborgd bleven.
Daarop besliste de rechtbank dat de klagers hun klacht de volgende dag in Baccum tegen de beklaagden opnieuw moesten voordragen en bevestigen bij de Holting.
De holtmeester, samen met zijn adjuncten, liet weten dat hem een Holting (rechtbank) gehouden zou worden wegens Froeb Berndt. Daarbij stelde hij dat Johann Borderwick een gemeenschappelijke boerenweg had aangelegd over Heide en Weide onder voorwendsel van de holtmeester. Men verzocht dat hij hiervoor verantwoordelijk gehouden zou worden, volgens de instructies.
Johann Maler, namens de aangeklaagden, verzocht dat de klagers bij de volgende Holting hun klacht tegen hem over de weg verder zouden vervolgen.
Kroep Berndt herhaalde zijn eerdere klacht en stelde dat er bij zijn huis een weg lag, die over Heide en Weide naar zijn erf liep. Volgens de beschikking van Zijne Majesteit mocht hij deze weg gebruiken en was er altijd een open boerenweg geweest. Deze was echter door Johann Borderwick afgesloten. Berndt verzocht dat de afsluiting verwijderd zou worden en dat de weg weer op de oorspronkelijke manier beschikbaar zou zijn voor iedereen.
Borderwick verklaarde dat hij de weg niet had afgesloten, maar er een goede haag had geplaatst, zodat iedereen de weg naar behoren kon gebruiken als dat nodig was.
De rechtbank constateerde, na inspectie, dat de betreffende weg inderdaad een gemeenschappelijke weg was geweest. Daarom moesten Borderwick en alle anderen de afsluitingen verwijderen, zodat de weg vrij gebruikt kon worden door iedereen, zoals van oudsher gebruikelijk was.
De holtmeester en de boeren van Olden-Lingen, samen met de eerwaarde aangeklaagden, dienden vervolgens een verzoek in bij de Rentmeester van Lingen voor een uitspraak of uitvoering van de gegeven instructies en de verdere behandeling van het geschil.
1564: Joannes wordt geen houtrechter
Meestal werd een ambt van vader op zoon overgeërfd. In 1564 kreeg Joannes na de dood van zijn vader Alef niet de baan van rechter. Mogelijk was Joannes nog te jong. Philips, koning van Castillien etc., stelt Johan Kerssenbroeck, schrijver en secretaris van den drost van Lingen aan tot holtrichter te Lingen, welk ambt vaceert door het overlijden van Aloff Kloppenborch. Kerssenbroeck stamt uit een adellijke familie, inmiddels gebruikelijk voor hoge posten. Joannes claimt tevergeefs de inkomsten van boetes gegeven door zijn vader, maar Kerssenbroeck weigert.
1568 Hollandse opstand – begin 80 jarige oorlog
De situatie in de omgeving van Lingen en Freren verslechterde met het begin van de Nederlandse opstand tegen de Spanjaarden. In 1568 begon de tachtigjarige oorlog tussen Spanje en Nederland. Uiteraard stond de stad en sterke vesting Lingen in het centrum van de decennialange militaire conflicten. De landelijke plaatsen van het Niedergrafschaft zoals Freren waren weerloosheid en werden door troependoortochten en plunderingen zwaar getroffen.
Tussen 1572 en 1590 trekken regelmatig troepen van beide partijen door het graafschap Lingen. In 1574 verbleven Brunswijkse, Saksische en Schauenburgse ruiters in het graafschap. Enkele jaren later trokken troepen van de hertog van Parma plunderend door het gebied. Sigismund II. von Kurtzbach met zijn troepen, in dienst van Nederland, plunderen de stad Lingen in 1579 en brandschatten het land, totdat hij bij een explosie in Lengerich om het leven kwam.
Ook Willem van Oranje, inmiddels vogelvrij verklaard, roofde en plunderde het graafschap, nadat zijn Engelse troepen Lingen niet konden innemen in 1580. De Nederlanders werden door de Spanjaarden verdreven, maar zij namen de praktijken van roven en plunderen over. De verwoestingen waren in deze jaren zo groot dat vele boerderijen leeg stonden en wolven een plaag werden.
In 1585 voerden vanuit Meppen Nederlandse troepen invallen uit in het graafschap Lingen, onder andere in Lengerich, waar ze na het plunderen en gevangennemen van talrijke inwoners probeerden het hele dorp in brand te steken.
Van 1590 tot 1597 beschermden de Spanjaarden het graafschap Lingen tegen vijandelijke invallen, maar de lasten waren zo hoog dat de boeren niets over hielden.
Dit alles lijkt weinig gevolgen voor Joannes te hebben:
- Joannes wordt in 1570 bij een process als Anwalt genoemd, een soort advocaat zonder juridische opleiding.
- In 1573 is hij getrouwd met Anna, wanneer hij 300 taler aan Claus van Schnetlage leent. Een koe kostte in die tijd 6-8 taler.
- In 1574 is Joannes getuige bij een proces, samen met broer Gerd.
- In 1576 herhaalt hij de lening aan van Schnetlage
- Joannes laat in 1576 in Zwolle een kopie maken van het document waarin graaf Nicolaas IV het huis in Freren gaf, samen met de vrijstelling van alle diensten en taksen.
- In 1578 getuigt Joannes over een uitspraak van zijn vader.
- In 1585 nogmaals een lening voor 400 taler.
In 1593, dus bijna dertig jaar na de dood van zijn vader, in 1593, wordt Joannes toch houtvester. Hij wordt zelfs genoemd in de Codex Lingensis, een overzicht van de wetten van Lingen, geschreven rond 1594 door Bernard Menger.
- Artikel 60: De houtvester van de heerlijkheid Lingen, waarvan Aleff Beckebroeck genoemd Cloppenborgh de eerste, is altijd in het land schat- en dienstvrij gehouden…
- Artikel 61: Waar zoals bij Kersebroock de houtvester sterft en zijn kinderen in officio niet succederen zo moeten diezelfde erfgenamen … alle naburige diensten doen, tenzij zij bijzonder geprivilegieerd zijn zoals de houtvester Jan Cloppenborgh en zijn erfgenamen.
1597: Spanje verliest Lingen

Na een belegering van twee weken werd de stad Lingen op 12 november 1597 door graaf Frederik van den Bergh, in Spaanse dienst, overgegeven aan prins Maurits van Nassau (Holland).
Met deze machtswisseling veranderde er veel. Tot dan toe hadden de katholieken het bestuur in handen gehad, maar aan die situatie kwam nu een einde. Zowel in de stad als op het platteland liet Maurits onmiddellijk alle zichtbare uitingen van het pausdom verwijderen. De inwoners van Lingen werden verplicht het calvinistisch-gereformeerde geloof aan te nemen. De rooms-katholieke geestelijken moesten het graafschap verlaten.
Kerken en scholen werden voortaan bezet door gereformeerde predikanten en onderwijzers; ook overheidsfuncties, waaronder de politie, kwamen in handen van gereformeerde ambtsdragers.
Maurits van Nassau maakte bovendien aanspraak op het gehele graafschap als persoonlijk bezit van het Huis Oranje. Als rechtvaardiging daarvoor verwees hij naar het huwelijk van zijn vader, Willem van Oranje, met Anna van Buren. Buiten de stad gingen de plunderingen intussen onverminderd door, gepleegd door strijdende partijen van verschillende zijde.
Prins Maurits begon fortificaties te bouwen. De hele bevolking moest bijdragen. Het ridderschap klaagde dat de armen verhongerden tijdens de werken.
Desondanks blijft Joannes een vermogend man. In 1602 leent hij, nog steeds samen met zijn vrouw Anna, 1000 taler aan Claus’ zoon Rudolf von Schnetlage.
Katholieken zijn verdacht. Er volgden ondervragingen. In 1602 wordt Adolph Cloppenborg uit Freren wegens landverraad gearresteerd en meerdere jaren gevangen gehouden, ondanks dat de gereformeerde prediker verklaarde dat Adolph zijn kinderen protestants had laten dopen. Het is onduidelijk of Adolph de zoon van Joannes of van zijn broer Gert was.
Joannes wordt in 1603 ondervraagd, waarbij hij verklaart dat zijn zalige vader bij tijden van Grave Claß, Grave Cort, des Graven van Buren, der Gravinne van Egmont zijn dochter des Keizers Caroli quinti en des Konings van Spanien is Richter gewezen to Lingen en op het einde als Holtrichter is gestorven.
In augustus 1605 heroverde Spanje het gebied en werd de oude toestand van katholiek gezag hersteld.
Joannes sterft op 5 april 1623 en wordt op 6 april 1623 in Lingen begraven. Zijn vrouw Anna wordt voor het eerst genoemd in 1573 en als laatste in 1602. In het Hange document zijn twee zonen vermeld: houtvester Boldewin en voorouder Alef.
