
Op een zandhoogte, een honderd meter van de weg, stond de korenmolen. Ze stond er zeker al meer dan honderd jaar, want niemand in het dorp had gezien dat de molen gebouwd werd. De tegenwoordige eigenaar had hem overgenomen van een jonge molenaars weduwe.
Eerst had hij er gewerkt als knecht, maar langzamerhand was hij er eigenaar geworden.
Voor zijn huwelijk had hij een zware hypotheekschuld op zijn molen gehad, maar door zijn huwelijk met Lina Langerman was de schuld beduidend verlaagd. Lina was enig kind. Haar vader had zich van keuterboertje weten op te werken.
Door hard werken en zuinig te zijn en door zich veel genoegens te ontzeggen zag Vader Langerman elk jaar zijn bezit te vergroten. Zo kwam het, dat Lina een aardig duitje als bruidsschat meekreeg.
Iedere morgen reed de molenaar met zijn wagen langs de boerderijen om er het meel af te leveren en nieuw koren op te nemen.
Hij was gezien in de hele omtrek en stond bekend om zijn strikte rechtvaardigheid en eerlijkheid. Nooit zou hij te weinig gewicht geven, ofschoon hij wel goed wist dat nooit een boer hem zou nawegen.
Het was zaterdagavond, een koude novemberavond. Buiten viel een natte sneeuw. De halve maan probeerde door de lage wolken heen te dringen en overal was het koud en huiverig behalve in de gezellige keukenkamer van de molenaar. Hier straalde het fornuis hitte naar alle kanten uit.
Een grote turfbak vol harde turf en houtblokken stond onder de kromme kachelpijp.
Boven de schoorsteenmantel was een schilderij ingemetseld. Het stelde de bekende Stier van Potter voor.
’t Was een grote kamer. Middenin stond een tafel, waaraan de molenaarsvrouw was gezeten.
IJverig stopte zij de kousen van haar man en haar jongen.
Haar man zat bij ’t vuur. Hij had de klompen uitgetrokken en had zijn voeten op een bankje voor het vuur gelegd! Man en vrouw. Beider hadden ze hun gedachten.
Zij dacht aan haar zoon Jan en hij dacht aan diezelfde Jan. Jan was ruim 20 jaar oud. Hij was een aardige, vrolijke jongen, die zijn woordje goed kon doen. Hij was begaafd met een helder verstand. Na zijn schooljaren had hij nog een paar jaar les gehad van de schoolmeester. Maar toen de meester hem voorbestemde om zijn opvolger te worden, verslapte plotseling te ijver voor de wetenschap en bleef geleidelijk weg.
Vanaf zijn schooljaren kwam hij als hulpje bij zijn vader in de molen. In die jaren groeide hij uit tot een forse jongen Toen hij 18 jaar was kon hij met zijn sterke spieren evenveel verzetten als een volwassen man. Met evenveel gemak wierp hij de mudden tarwe op zijn schouder als zijn vader. Taai was hij in ’t volhouden om steeds opnieuw de zakken naar boven te brengen. Dat kunnen, dat sterk zijn streelde zijn trots. Dat was ook het enige wat hem in de molen trok. Al het andere was bijzaak. En ging aan hem voorbij. Hij verzorgde zijn kippen, duiven en konijnen, deed verder zijn werk in sleur, en van lieverlee verloor hij de ambitie voor het molenaarsvak en bracht zijn vrije tijd liefst zover mogelijk molen verwijderd door.

Toen hij steeds meer toegaf aan zijn afkeer voor de molen, kwam het zover, dat hij alleen dan daar aanwezig was, als hij daar beslist niet gemist kon worden.

Die zaterdagavond zat Jan zoals dat dikwijls voorkwam bij Geert de Vries in de kajuit van het diggelschip.
Het was er gezellig in de kleine kajuit. Geert en ook zijn tien jaar jongere broer Harm waren onuitputtelijke vertellers.
Daarbij kwam, dat zij met hun schip vol potten en pannen lange reizen maakten. Zowel door Groningen, Friesland en zelfs Holland, maar meestal langs de grensstreek van Duitsland, Oost-Friesland, Hannover en Münsterland.
En bij Jan vonden ze gretig gehoor. Jan; zei Geert, ik begrijp je eigenlijk niet: Je bent nu ruim 20 jaar. Je hebt geen plezier in de molen, zoals je al meermalen hebt gezegd. Je hebt tegenzin in je werk. Waarom ga je met eens mee naar Friesland of het Groningerland?
Vooral in de Groninger veenkoloniën is voor jonge kerel met een goed verstand geld te verdienen.
De veenkoloniën, zo noemen te de dorpen die ontstaan zijn door het afgraven van het veen, dat turf is geworden en met schepen naar de grote steden en fabrieken wordt vervoerd.
Dat moet je eens zien, hoe dat in zijn werk gaat. Eerst worden er kanalen gegraven, bv. vanuit Groningen.
Zijn de hoofdkanalen klaar, dan worden er zijkanalen of wijken, zoals ze daar genoemd worden, gegraven. Langs die kanalen en wijken kunnen de schepen dan de turf bereiken.
Jan, dat moet je eens zien en zo gemakkelijk als die veenmensen kopen?! Daar is voor ieder vak geld te verdienen. En er is ook geen streek waar meer Jenever gedronken wordt. En dat kan niet als er niet royaal verdiend wordt. Is het waar of niet, Jan? Harm, wat zeg jij, is daar geld te verdienen of met?”
Harm knikte alleen. Hij dommelde half en half achter de kachel. Het was erg warm in de kajuit en de punch deed zijn uitwerking

Intussen zaten zijn vader en moeder in stille gedachten in de keukenkamer op hem te wachten.
Moeder legde haar stopwerk in het mandje. Met de handen in haar schoot, het hoofd iets naar voren gebogen, de voeten op de stoof gevouwen.
Jan was de laatste tijd uithuizig geworden. Hij vond thuis niet de gezelligheid, die een jongeman van zijn leeftijd zo graag heeft. Ook in de molen vond hij geen vermaak meer. Op het rondbrengen van het meel was niets aan te merken. Bij de klanten was hij de vrolijke jongen als vroeger.
Jammer dat hij geen zin in de molen had, zijn toekomst lag klaar. Zijn kostje was gekocht. En met zo’n grote molen als eigendom zou hij later zeker een van de beste partijen uit Kelten of de andere dorpen uit de omgeving kunnen doen.
En zijn moeder dacht na over Jan.
Laatst had hij haar gevraagd of hij niet bij bakker Schönfeld het bakken mocht leren. Ja, als bij daar nu beslist zin in had, maar het bakkersvak valt ook niet mee. ’s Avonds laat het roggebrood in de oven maken. ‘s Morgens voor dag en dauw, misschien wel al om vier uur het bed uit, om het brood te keren en uit de oven te halen. Zal Jan daar op den duur wel zin in houden?
Wispelturig is hij anders niet. Als ik nu maar zeker wist, dat hij bij het bakken zou blijven. Zoals het nu is, gaat het niet langer. Daar moet verandering in komen. In de molen wil hij toch niet.
Jammer voor Nicolaas. Hij wordt ook ouder en er is niemand anders dan Jan, die de molen later kan overnemen. Ze kan merken dat vader er onder lijdt. Hij wordt elke dag stiller. Ook is hij al in geen tijden meer op jacht geweest. Had hij daar maar eens weer ideeën voor.
Als het eens een gunstig ogenblik is, wil ik toch eens met vader praten over het plan van Jan om bakker te worden. Nu zal ik er maar niet over beginnen. Kwam de jongen nu maar thuis. ’t Is zo tien uur. Het is de hoogste tijd om naar bed te gaan, want morgenvroeg om 7 uur begint de vroegmis.
Vader porde de kachel wat op, en smeet een paar stukken turf op het vuur. De wind waaide door de schoorsteen en wakkerde het vuur opnieuw aan.
Toen stak vader een verse pijp tabak aan en terwijl hij schijnbaar behaaglijk rookte, dacht ook hij aan zijn zoon Jan. Een ergernis was het, zo stom als die jongen zich nu aanstelde.
‘n Pracht molen in ’t vooruitzicht. En hij had er doodgewoon geen zin in. Dat je nu zo in je kinderen teleurgesteld moet worden.
Wat heb ik hard moeten werken om die prachtige molen in mijn bezit te krijgen, altijd opletten hoe de wind was, steeds weer de wieken met de wind mee zetten. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, ja dikwijls nog ’s nachts altijd weer de beste ogenblikken uitzoeken. En voort gorspellen altijd weer wachten op een stevige bries of beter nog een stormwind. Jonge, jongen, als je toch eens wist hoeveel ik ervoor heb gedaan, voor die molen. Ook om te kunnen leven van de opbrengst. Voor ons dagelijks brood en voor de opvoeding van de kinderen! Zeker, daar deed ik het ook voor, maar de molen is een stuk van mijn leven.
En nu, nu zegt Jan, ik wil niet, ik heb geen zin om molenaar te worden. Als ik eraan denk, dat straks bij gebrek aan opvolger de molen in handen van een vreemde over gaat…
Mijn molen in handen van vreemden!!!
Jan, bespaar me die schande. Wees, toch verstandig, jongen. Je kunt de molen krijgen, zonder lasten. Als je hem maar neemt. Ik word ouder, ben nu 59… Wat zou dat een prachtige oplossing zijn, als jij over een paar jaar de molen overnam. Je beide zusters zijn goed bezorgd. Anna heeft het goed getroffen met haar man. De houtstek is een goed bedrijf.
En Frits, die met Christine getrouwd is, heeft goede lakenhandel in Münster. En straks als zijn ouders uit de zaak gaan, zal ik hem wel een handje helpen, zodat hij zonder veel zorgen de hele zaak kan overnemen. En straks de molen in vreemde handen. Dwars is Jan niet. Wat hij moet doen, dat doet hij, maar het gaat steeds met tegenzin. Alleen, laatst, deed het me zeer, toen hij zeide: Zeg, Vadertje, wil de wind weer niet opkomen?” Hij zal het wel niet kwaad bedoeld hebben, maar het deed me pijn, dat hij zo over de molen sprak.
Wat moet de toch doen om hem weer aan de molen te binden, zonder dat hij dat voelt. Als ik er met hem over praat, vallen er lelijke woorden. Van zijn kant misschien nog niet, maar ik kan me dan niet bedwingen en dan wordt de afstand nog groter. Zo zat Nicolaas te mijmeren.
Zijn pijp was uitgegaan en de gloed in de kachel was verminderd tot een paar kooltjes vuur.

Voor de tweede keer vroeg zijn vrouw:
“Zullen we naar bed gaan, ’t Is al ver over tien”. ” Ja, straks. Elke zaterdagavond zeide hij dat zelfde.
“Ja – straks” en dat ja straks was voor haar en reden om hem een glaasje citroenbrandewijn in te schenken.Ze ging daarom naar een ingebouwde kast en kwam met een glaasje en een dikbuikige karaf terug. Ze schonk het glaasje vol, schoof het hem toe en zeide: “Jan is laat vanavond!”
De man gaf geen antwoord, nipte aan zijn glaasje, stopte daarna een pijp en viel weer in gedachten. Jan is weer laat. Hij zal wel weer bij Geert de Vries in het diggelschip kitten. Eerlijk gezegd zijn Geert en Harm geen slechte kerels. Het is een lust om met hen te praten en vooral is Geerts een goede zakenman.
Het kan geen kwaad dat hij daar is. Jongens van zijn leeftijd willen toch wat hebben. En Geert en Harm komen overal. En hun verhalen zijn vooral voor jongeren interessant en leerzaam.
Maar door zijn omgang met deze jongens gaan zijn gedachten steeds verder van de molen of.
Ik kan me best indenken, dat hij wat meer van de wereld wil zien en weten. Daar is ook niets op tegen. In mijn tijd ging ik ook naar Munster, Haselünne en zelfs meermalen naar de paardenmarkt in Aurich. Maar voor Jan is dat – meer van de wereld zien – niet goed. Hij gaat hoe langer hoe verder van de molen af. Had ik nu nog maar een tweede zoon. Zou ik er eens met onze jonge kapelaan over praten? Hij kan best met jongelui omgaan en Jan heeft veel respect voor hem. Hij mag graag naar zijn preken luisteren. Misschien, dat de kapelaan hem het mooie van de molen kan voorhouden en dan kan hij misschien wel tot andere gedachten komen: maar, neen, hij zal natuurlijk zeggen, dat ieder jongeman de drang van zijn hart, dus datgene moet doen, waar hij belang instelt en dat is juist de molen mét. Nee, de kapelaan laat ik er liever buiten. Daar komen we niets verder door!
Nicolaas Remkes werd uit zijn gedachten opgeschrikt, doordat de buitendeur openging. Jan trok zijn jekker uit in het voor huis, ging de kamer binnen met een goedenavond en ging aan het hoofdeinde van de tafel zitten.
“Hoe is de wind”, vroeg zijn vader, maar meteen had hij alweer spijt van zijn vraag. Hij wist immers maar al te goed, dat Jan geen belang stelde in de windrichting en de molen.
“Er is weinig wind, een beetje uit het zuidwesten. Het is mistig, vochtige mist, echt vies weer!”
“Wil je bij de kachel kitten? Jan? Ben je koud?” vroeg de moeder. “Neen, dank U, ik ga liever direct naar boven.”
“Gaat U naar de vroegmis, moeder? Dan span ik de sjees wel in.” “Goed, wil je niets meer drinken?”
“Neen, dank U, gaan we bidden?”
“Ja, direct, vader wil nog even zijn glaasje uit drinken.”Onder het bidden kon Vader de gedachte aan Jan en de molen maar niet van zich afzetten. De molen straks in vreemde handen en Jan zeker een ander vak.
Zou hij soms bij het bakken willen! Hij loopt nogal bij de Schönfelds.
Moeder bad voor: ”Gebed voor overleden ouders en familie.”
Even schrok vader op. Even waren zijn gedachten weer bij het bidden.
Vader en moeder zullen wel al lang in de hemel zijn. Vader was tevree op zijn boerderijtje. Hij had graag gezien dat ik ook boer zou zijn geworden. En toch werd ik molenaar. Nooit heb ik gemerkt, dat hij daartegen was. Ja, waarom wil ik nu beslist, dat Jan molenaar zal worden. “Gebed voor de kinderen.” Bad moeder.

Weer waren zijn gedachten bij Jan. “Goede God, laat er nooit een kloof komen tussen de kinderen en mij. Moeder Maria help mij en bescherm Jan”. Zo bad hij tussen de antwoorden door.
Bij het laatste Amen, wipte Jan op van zijn knieën zei, “slaap wel” en ging naar boven. Traag stonden zijn ouders op. Vader had reumatiek in de knieën en moeder zat de dikte in de weg.
Die nacht kon Vader de slaap niet te pakken krijgen.
Dan weer zag hij zich op de bovenste verschansing van de molen naar de windrichting kijken. En dan dook Jan voor hem op, met zijn eeuwige lach op zijn gezicht vroeg hij zo schelms mogelijk: “Komt er geen wind, Vadertje?”
Dan weer zag hij zich in de buurt van de kerk wonen. Hij zag een paar kleine kinderen, die naar hem toekwamen. Hij nam de oudste, een jongen op zijn knieën …… en daar achter zag hij een man en een vrouw en hij zag nog juist, dat die man zijn Jan was.
Hij was weer klaarwakker. Zou Jan niet gelukkig kunnen worden zonder de molen? Zou het geen waandenkbeeld van hem zijn, dat Jan ook zonder molen geen toekomst zou kunnen hebben?
Hij zelf, hij kon niet leven, zonder dat hij de molen zag. ’s Morgens, het eerste wat hij zag was de molen en ’s avonds, ja zelfs in zijn dromen zag hij de wieken van de molen draaien. Hij draaide zich nog eens om en viel eindelijk in een lichte slaap.
De volgende dag na de Hoogmis kwam bakker Schönfeld een kopje koffie drinken. Ofschoon hij altijd bij de maand de rekening betaalde als het meel werd gebracht, kwam hij nu om te betalen. De oude molenaar vond dat een vreemde manier van betalen. Zo had Schönfeld nog nooit betaald, maar hij maakte geen aanmerking. Het gesprek wilde niet vlotten.
Na wat over en weer gepraat, kwam het gesprek over Jan.
“Kijk eens, Remkes, Jan wil bij mij het bakken leren en nu wilde ik eerst eens weten, wat u daarvan denkt!”
Bij het horen van dat nieuws verschoot de molenaar van kleur. Jan bakker worden. Dat had hij nu weliswaar kunnen verwachten maar dat Schönfeld het hem zo droog-nuchter moest vertellen, dat pakte hem. Jan zat er als een geslagen hond bij. Wat zou zijn vader daarop zeggen. Hij durfde niet op te kijken. Dit was de kans van zijn leven. Als dit mislukte, dan was hij zoveel jaren achteruit.
Maar misschien lukte het. Toen Schönfeld uitgesproken had, vroeg Moeder ofschoon zij van het plan op de hoogte was: “Maar Schönfeld, hoe hebt u dat gedacht met eten en slapen. Komt hij dan bij U thuis?” “Ja, ik had gedacht, dat hij intern bij ons thuis komt, dat is geschikter in de bakkerij want dat is meest nachtwerk.
Toen de Vader hoorde van, “nachtwerk”, richtte hij zich tot Jan.
“Kijk eens jongen, dat je allang geen zin in de molen meer had, dat wist ik wel, maar dat je bakker wilt worden, had ik niet gedacht. Je moet niet vergeten, dat het bakkersvak veel nachtwerk is. Het is immers allemaal roggebrood wat Schönfeld bakt, en dat moet ‘s nachts in de oven. En dan ’s morgens bij de klanten bezorgen. Dat is dus nacht en dag werken. En als je dat tegen je zin doet, dan is de ramp nog veel groter, dan wanneer je met tegenzin in de molen je leven zou moeten slijten.
Ik wil je niet van je plan afhouden, maar denk er nog eens ernstig over na. Want als je eenmaal uit de molen gestapt bent, kan ik je er moeilijk weer inhalen.
Dat begrijp je.
En of je nu wat verdiend of niet bij Schönfeld, dat is voor mij gelijk en ook het voornaamste niet. Voor mij is het, het voornaamste, dat je smaak in je werk hebt.
En als je bakker wilt worden – Je weet hoe graag ik je als opvolger in de molen zou hebben- ik zeg als je bakker wilt worden; – goed, maar dan moet je je daar ook met alle ernst op toeleggen. En daar vertrouw ik je wel in. En je zult al gauw ondervinden, dat je aan Schönfeld een goede leermeester zal hebben.”
Hij haalde diep adem, want zoveel woorden had de molenaar in geen jaren tegen zijn zoon gezegd. En om te beduiden, dat deze kwestie voor hem had afgedaan, schoof hij zijn kommetje naar het kraantje van de koffiepot, stak een nieuwe pijp op, aan het vuur in de test van de koffiepot, wendde zich tot Schönfeld en vroeg “Zeg, Schönfeld, je zei laatst, dat er een nieuwe stroming ging door West- Europa. Vooral in Frankrijk en ook, dat het hier al merkbaar is onder de hogere standen. Wat bedoelde je daar toen mee?”
“Ik bedoelde daar nu juist niets mee, maar je weet, dat ik een broer heb, die leraar is in Schapen op die school en die schreef zoiets, n.l. dat het volk vooral in Frankrijk erg ontevreden was. Dat er overal een onrustige stemming heerste.
Ik geloof dat ik die brief wel bij me heb. Hij zocht in zijn binnenzak en diepte er een verfrommelde brief uit op. De was op 4 november 1740 door de diligence gebracht. Zijn broer schreef, dat er een geest van verzet, van algemene ontevredenheid heerste, zelfs meende hij te kunnen constateren dat de jongens van de school met dezelfde geest waren bezield. Ook de hogere standen schenen ontevreden te zijn. Vooral in Frankrijk en in ’t bijzonder in Parijs is het zeer onrustig. Verder werd er in die brief niets over gezegd.” “Zouden de lage prijzen van het graan daar soms al verband mee kunnen houden” vroeg Remkes.
Ja, misschien wel, maar deze onrustige stemming zal wel ontstaan zijn, doordat de lagere standen veel onderdrukking moeten ondergaan van de hogere stand.
Je hebt toch zeker wel gehoord, dat er veel regeringspersonen in Parijs vermoord zijn. Het is daar resolutie!”.
Terwijl de mannen hierover doorpraten, deed de moeder een nieuw kooltje vuur in de test van de stoof. Daarna ging de ingebouwde kast en haalde er een paar glaasjes uit.
“Wat moet het werken, Schönfeld; klare bitter, of citroenbrandewijn?” Schönfeld prefereerde een citroentje. Vader en zoon dronken hetzelfde. Toen Schönfeld wilde opstappen, zeide hij: “Nu, Jan, dan verwachten we je morgen, dat is toch goed afgesproken, Remkes?” “Ja, hoor, Schönfeld, dat is in orde, en hoop, dat je er een flinke bakker van maakt.”
Die zondagmiddag ging Jan de weg af langs het kanaal.
Het weer was opgeknapt. De mist was opgetrokken en een mat zonnetje gluurde zo nu en dan door de wolken! Hij overdacht nog eens hoe alles die morgen in ‘t werk was gegaan. Zonder strubbelingen of tegenwerking had Vader zijn fiat gegeven. Vader was toch wel breed van opvatting. Wat moet het hem wel een pijn hebben gedaan, zo gemakkelijk ten minste schijnbaar gemakkelijk afstand te doen van een opvolger voor de molen. Hij had weleens horen zeggen, dat zijn vader de molen destijds als een vervallen zaak had overgenomen en dat door zijn werkkracht de molen weer tot grote bloei was gekomen. Deed hij er eigenlijk wel goed aan zo te handelen? Ja, ’t was zo. Hij kon de molen niet aanzien, alleen al dat kijken en wachten op een gunstige wind maakte hem humeurig. Maar wat het werk betrof; ach dat mocht hij wel en kon hij ook best volbrengen. En stel je eens voor dat het bakken hem eens tegenviel. Vader zei dat het altijd nachtwerk was en ’s morgens de klanten bij langs. Maar neen, nu niet terugkrabbelen, hij had het nu eenmaal zover en hij zou het volhouden ook.
Zo dacht hij over het gebeurde na. Ongemerkt liep hij daar, waar het potten en pannen schip van Geert en Harm lag. Hij floot een tweemaal zijn bekend fluitje om Geert en Harm op zijn aanwezigheid attent te maken, maar kreeg geen fluitje terug.
Toen ging hij op de loopplank naar het schip en vervolgens naar de kajuit. Ook daar geen gehoor. Hij liep nog even langs de reling, maar al spoedig bleek dat er niemand op het schip aanwezig was. Dat viel hem erg tegen. Juist nu zou hij zo graag eens met zijn vrienden gepraat hebben.
Wat zouden zij wel zeggen van zijn plan? Het zou nu wel niet meer zo gemakkelijk gaan eens een reisje te maken naar ’t Groningerland. Maar och, daar was vooreerst toch ook zo’n haast niet bij.
Toen hij zo in gedachten terugliep, ontmoette hij Frits Oswald.
Het was een jongen van zijn jaren en samen hadden ze in dezelfde klas gezeten. Hij was in Munster in de lakenhandel en zou daar tot koopman worden opgeleid. Samen liepen ze de weg terug naar Kelten. Terwijl ze nog over van alles en nog wat praatten, verzweeg Jan zorgvuldig de grote verandering in zijn levensloop. Op enige afstand naderden langzaam wandelend drie jongedames. Ze hadden elkaar in de arm en lachten en giechelden luidruchtig.
De middelste van de drie was een fors meisje van nauwelijks 20 jaar. Ze had een statig figuur, was flink gebouwd en om haar fraai gevormde mond speelde een schalks lachje, dat haar aantrekkelijke gezicht nog bekoorlijker maakte.
Die dag had zij alle reden zich vrolijk te maken, zij was nl. jarig en haar vader, bakker Schönfeld die we deze morgen bij de molenaar hebben leren kennen, had haar op haar verjaardag een prachtige gouden oorijzer gegeven.
Het blonk schitterend in de zon, terwijl de gouden stiften en rozetten er het hunne toe bij droegen om er een volmaakt geheel van maken.
Op het hoofd over het voorijzer droeg ze een kanten mutsje, dat meer in de nek overging in brede geplooide Brusselse kant. Verder was zij gehuld in een grijze mantel, die haar tot de enkels reikte.
Onder veel gelach kwam het drietal steeds dichterbij en toen ze Jan en zijn vriend voorbijgingen, zeide de middelste: “Zeg Jan, jij komt morgen bij ons in de bakkerij, ze!” Jan gaf geen antwoord, maar voelde zich plotseling zeer onaangenaam gestemd. Zou het hele dorp nu al weten, dat hij bakker wilde worden. Veel tijd om hierover na te denken had bij niet, want Frits vroeg hem op de man af:
“Wat Jan, word jij bakker en geen molenaar?” Hierop was Jan zo plotseling niet voorbereid en daarom vertelde Jan in korte woorden, dat hij geen zin in de molen had en daarom bij bakker Schönfeld in de leer zou komen.
Frits kon maar niet begrijpen, dat een jongeman met zo’n pracht molen in het verschiet, maar zo, plotseling daar afstand van kon doen en bakker ging worden. En dan nog wel een gewone roggebroodbakker. Was het bijvoorbeeld zoals in Münster tegenwoordig veel werd gezien, winkels met “confiseur of cuisinier” erop. Dat waren luxe bakkerijen. (In de grote steden werden de namen van die vakken steeds meer verfranst).
Maar ja, ieder moet zelf zijn eigen vak kiezen. Hij vond de lakenhandel een zeer mooi vak. “En ik vind het bakken een mooi vak”. Zei Jan.
En toen gingen we van elkaar. Frits haastte zich naar huis om het nieuwtje te vertellen.
Toen Jan thuiskwam was zijn moeder bezig een koffer met kleren en andere noodzakelijke dingen voor hem in te pakken.
Alles was ook zo gauw in zijn werk gegaan. Jan zou elke zondag toch thuiskomen, en mocht er dus wat ontbreken, dan kon hij dat later meenemen.
Aan zijn vader vroeg hij voor zijn kippen, duiven en zijn hond te willen zorgen.
“Zijn hond”? Was het nog wel zijn hond? En sinds vader een paar keer met hem op jacht was geweest, was hij meer gehecht aan zijn vader dan aan hem. De laatste tijd keek hij niet meer naar hem om.
Voor het laatst zou hij dus deze nacht of zijn kamertje slapen. Hij hielp zijn moeder mee inpakken. Nam een kruisbeeldje van de wand. Toen zijn moeder het van hem overnam, wilde zij een waarschuwend woordje zeggen, maar toen hun beider blikken elkaar ontmoetten, zweeg zij. Jan begreep volkomen, wat zij zou willen zeggen. Zo dikwijls reeds had zij hem erop gewezen, toch steeds zijn godsdienst hoog te houden, maar toen had hij daar altijd luchtig over gedacht. Nu vanavond, nu hij voor het laatst in zijn kamertje zou slapen, nu drong de betekenis van die woorden van zijn moeder tot hem door.
Altijd was het geweest, denk hierom en denk daarom, doe dit en doe dat. Nu was een blik van zijn moeder voldoende om hem dat alles weer in zijn geheugen doen terugkeren.
Vooral bij de welgemeende vermaning toch nooit ‘s zondags de mis te verzuimen en ‘s morgens en ‘s avonds drie weesgegroetjes te bidden, bleef hij even nadenken.
Ja, moeder had het altijd zo goed met hem voor gehad. Nu pas drong dat diep tot hem door, dat hij op het punt stond voorgoed het ouderlijk huis te verlaten. En hij eindigde met de beste voornemens om toch steeds goed en braaf te blijven.

Ja, vooral braaf blijven, zoals zij zich steeds uitdrukte. Braaf blijven daar zat zoveel aan vast. Ja, dat zou hij. Hij zou zorgen dat hij altijd braaf zou blijven, dan had zijn Moeder daar tenminste geen hartzeer over.
Bij de karnemelkse pap werd er weinig gesproken. Het onderwerp bakker of molenaar werd zorgvuldig vermeden. Ook in de verdere loop van de avond werd er veel langs elkaar heen gepraat, zonder dat er van een gesprek sprake kon zijn. Toen de molenaar dan ook stelde om maar te gaan bidden, was Jan de eerste, die daar graag mee instemde en ging direct op de knieën.
Bij de karnemelkse pap werd er weinig gesproken. Het onderwerp bakker of molenaar werd zorgvuldig vermeden. Ook in de verdere loop van de avond werd er veel langs elkaar heen gepraat, zonder dat er van een gesprek sprake kon zijn. Toen de molenaar dan ook stelde om maar te gaan bidden, was Jan de eerste, die daar graag mee instemde en ging direct op de knieën.
Ook was hij de eerste die na het bidden vlug opstond om zijn slaapkamertje op te zoeken. Terwijl hij zich tussen het veren onderbed en bovenbed schoof en zich warm toedekte, dacht bij nog even aan zijn vader. Hij zag de wieken vrolijk draaien en sliep rustig in.
