Alef was de zoon van een herenboer in de regio Cloppenburg, maar niet de erfgenaam van de boerderij. Anders dan in vele andere gebieden voorzag het erfrechtsysteem in Wesfalen een ongedeelde erfenis: de hoeve ging in zijn geheel over op één erfgenaam (meestal de oudste zoon), zonder verdeling onder de meerdere kinderen.
De tweede zoon werd doorgaans gezien als reserve-erfgenaam of uitwijkoptie. Hij kon het hof overnemen bij overlijden van de oudste, kinderloosheid of ongeschiktheid. Hij bleef vaak langer op het ouderlijk bedrijf en huwde soms laat of strategisch.
Voor jongere zonen betekende dit dat zij bijna geen landelijk erfgoed konden verwachten. Onderzoek naar de erfrechtstradities in deze periode toont aan dat jongere zonen in deze regio “meestal maar een klein deel van de familieerfenis kregen, zo niet helemaal niets.” Gezinnen met meerdere zonen moesten oplossingen vinden voor hun nakomeling die niet konden erven.
Een herenboer in Cloppenburg bezat weliswaar meer status dan arme boeren of landarbeiders maar deze sociale positie opende echter niet automatisch deuren voor alle zonen. Integendeel: alleen degenen met uitzonderlijke talenten of speciale vaardigheden konden omhoog mobiliseren.
Schrijfvaardigheid in 1490
Rond 1490 was lezen en schrijven bijzonder zeldzaam buiten de kerk. Historische onderzoeken suggereren dat tot ruwweg het midden van de 15e eeuw, zelfs koningen en nobelen niet altijd konden lezen of schrijven. In 1490 was dit wat verbeterd, maar voor plattelandsboerenzonen bleef schrijven uitzonderlijk.
De opleiding tot schrijver gebeurde traditioneel via het klooster of via gespecialiseerde onderwijzers. Veel schoolmeesters van die periode waren tegelijkertijd kosters, klokkenluiders, voorzangers en begraavenisondernemers—multifunctionele geestelijke functionarissen. Een boerenzoon die schrijven leerde, moest meestal worden uitbesteed voor onderwijs, wat suggereert dat zijn vader (de herenboer) voldoende vermogend en geambitioneerd was om in deze vorming te investeren.
Fundamenteel was schrijven in 1490 een middel voor sociale mobiliteit. Een boerenzoon zonder schrijfvaardigheid zou landarbeider of kleine ambachtsman worden—blijvend in onderklasse. Schrijfvaardigheid bood kansen op stabiliteit, maatschappelijke erkenning, en—cruciaal—bescherming tegen armoede. Dit was niet triviaal in een periode waarin ongelukkigen regelmatig omkwamen van honger of ziekte.
