Alef Beckebrock genannt Kloppenborg en vele generaties voor en na hem leefden in een feodale samenleving.
Europa feodaal
Van ongeveer het jaar 1000 tot omstreeks 1800 was Noord-Duitsland, net als een groot deel van Europa, feodaal georganiseerd. De maatschappij was ingericht volgens het standenstelsel: een hiërarchische ordening waarin ieder individu een vaste plaats innam, meestal bepaald door geboorte.
Deze standenmaatschappij kende hoofdcategorieën, elk met een eigen interne gelaagdheid:
- de geestelijkheid, die het geestelijk en intellectueel gezag vertegenwoordigde;
- de adel, die het wereldlijk bestuur en de militaire macht in handen had;
- de burgers, inwoners van steden met burgerrechten;
- en alle overige personen.
Adel en kerk bezaten vrijwel alle grond. Met die grond hadden zij vaak ook zeggenschap over de mensen die erop leefden en werkten — horigen en lijfeigenen, die in verschillende mate gebonden waren aan hun heer. Slechts een klein deel van de bevolking was werkelijk vrij.
De grenzen tussen deze standen waren scherp getrokken. Zij bepaalden niet alleen iemands beroep en rechten, maar ook de mogelijkheden tot sociale stijging en zelfs de keuze van huwelijkspartner. In deze starre structuur lag de sociale orde die eeuwenlang het dagelijks leven zou blijven bepalen.
De samenleving in de regio Cloppenburg rond 1500
Rond 1500 woonden in de regio Cloppenburg naar schatting circa 8.000 mensen. Ongeveer 200 daarvan behoorden tot de geestelijkheid en ruim honderd tot de kleine adel. Er was geen stad met volledige stadrechten1 en en dus nauwelijks een burgerstand. Minstens 90 procent van de bevolking bestond uit boeren.
Zoals binnen kerk en adel verschillende rangen bestonden — van paus en bisschop tot kapelaan, en van keizer en koning tot ridder en burgman — kende ook de boerenstand een duidelijke hiërarchie.
De sociale en juridische positie van boeren werd bepaald door:
- hun juridische status (vrij of horig),
- de omvang van het bewerkte land en het bezit van een eigen woning,
- en de rechtsvorm van de grond (eigendom, erfelijke pacht of tijdelijke pacht).
De laagste sociale groepen
Helemaal onderaan stonden de lijfeigenen, die persoonlijk eigendom van een heer waren en nauwelijks meer rechten hadden dan slaven. In de regio Cloppenburg was deze vorm zeldzaam, maar in het gebied van Tecklenburg kwam zij vaker voor. In delen van Zuid- en Oost-Duitsland, tot in Rusland, was lijfeigenschap veel verbreid.
Daarboven, maar sociaal nog steeds laag, stonden de heuerlingen. Zij waren persoonlijk vrij, maar beschikten niet over een eigen huis en waren sterk afhankelijk van loonarbeid.
Brinksitzers vormden een hogere groep. Zij bezaten een eigen huis, meestal aan de rand van het dorp, en hadden vaak een ambacht of arbeid als hoofdinkomen. Zij waren persoonlijk vrij en erkende leden van de dorpsgemeenschap.
Horige boeren
De grootste groep in het Cloppenburgse gebied bestond uit horige boeren. Zij waren persoonlijk gebonden aan een heer en konden hun hof niet zonder diens toestemming verlaten. Deze gebondenheid kon echter worden opgeheven door betaling van een afkoopsom.
Horige boeren betaalden een vaste pacht voor het gebruik van hun grond en hadden dienstverplichtingen aan hun heer. In het Münsterland waren deze verplichtingen beperkter dan in andere delen van het Heilige Roomse Rijk en doorgaans slechts twee tot zes per jaar, bijvoorbeeld helpen bij oogstwerk, houttransport of bemesting. Ongehuwde kinderen moesten soms zes maanden tot een jaar op het herenhof dienen als knecht of dienstmeid.
Horige boeren mochten hun hof niet verkopen of aan hun kinderen overdragen zonder toestemming van de heer. Voor een huwelijk was eveneens toestemming vereist. Bij overlijden werd doorgaans een sterfgevallenheffing betaald, vaak de helft van de roerende bezittingen.
Belangrijk is dat horigen hun eigen hof bewerkten, niet uitsluitend het domein van de heer. Zij genoten binnen het lokale hofrecht een zekere rechtsbescherming. Naar schatting behoorde ongeveer de helft of meer van de boerenbevolking in het Cloppenburgse gebied tot deze categorie.
Opvallend is dat horigheid in de bronnen niet als vernederend wordt beschreven. Sommige vrije personen kozen er vrijwillig voor zich onder horigheid te stellen, wat erop wijst dat deze vorm van afhankelijkheid ook economische zekerheid en sociale stabiliteit kon bieden. Vrijheid betekende dus niet automatisch een hogere sociale status.
Vollerbe
Binnen de horige boerenstand bestond een hiërarchie naar gelang de omvang van het hof: van kleine keuterboeren via halberben (ongeveer 15–30 hectare) tot vollerben met meer dan 30 hectare.
De Vollerbe nam een bijzondere positie in. Het begrip duidt niet op een aparte stand, maar op de omvang en rechtspositie van een hof. Een vollerbehof was economisch volwaardig en kon een gezin duurzaam onderhouden. De gebruiker had geen volledig eigendom in moderne zin, maar een erfelijk en door het hofrecht beschermd gebruiksrecht, dat bij overdracht door de grondheer moest worden bevestigd.
Binnen de dorpsgemeenschap vormden de vollerben een economisch stabiele kern en stonden zij boven halferfboeren, keuterboeren en heuerlingen.
Meier-boeren
Het grootste deel van de zeldzame persoonlijk vrije boeren bestond uit meierboeren. Zij hadden grond in erfelijk gebruik van een heer — vaak een klooster, kapittel of adellijke familie — en betaalden een vaste meierpacht in geld of natura. Deze pacht lag aanzienlijk hoger dan die van horigen, soms tot tienmaal zoveel.
De grondheer behield doorgaans zeggenschap over bossen, waterlopen en andere hulpbronnen. Bij overlijden kon ook hier een sterfgevallenheffing verschuldigd zijn. Hoewel meierboeren persoonlijk vrij waren, bleef hun gebruiksrecht juridisch afhankelijk van bevestiging door de heer. Hun status lag echter duidelijk boven die van horige boeren.
Regionaal vormden zij naar schatting circa 15 tot 25 procent van de boerenbevolking.
Vrije allodiale boeren
Vrije allodiale boeren vormden een kleine minderheid. Zij bezaten hun land in volle eigendom (allodiaal bezit) en waren niet persoonlijk gebonden aan een heer. Hun verplichtingen beperkten zich doorgaans tot tienden en algemene landsheffingen. Vermoedelijk behoorde minder dan tien procent van de plattelandsbevolking in het Münsterland tot deze categorie.
De positie van de familie Beckenbrock
De familie Beckenbrock behoorde tot de top van de boerenstand. Zij waren vrije eigenaars van een vollerbehof2, een welgestelde boer met een groot bedrijf en volledige rechten in de gemeenschappelijke gronden. Hun sociale positie was vergelijkbaar met die van herenboeren: economisch zelfstandig, juridisch vrij en lokaal invloedrijk.
->->-> erfrecht
- Cloppenburg had Wigbold rechten, meer rechten dan een dorp maar nog geen echte stad tot 1820.
- In 1473 wordt een Werneke Beckebrock genoemd als eigenaar van de boerderij en als Vollerbe. In: Essener Bauernhöfe und ihre Familien. Bröring, Clemens Bernard: Verlag: Quakenbrück, Selbstverlag, 1996
