De regio Cloppenburg is genoemd naar het inmiddels verdwenen kasteel Cloppenborch. De naam veranderde van het Nederduitse “borch” naar het Hoogduitse “burg”.
Tecklenburg tegen Münster en Osnabrück
De geschiedenis van dit kasteel hangt nauw samen met de langdurige rivaliteit tussen de wereldlijke graven van Tecklenburg en de bisschoppen van Münster en Osnabrück. Deze machtsstrijd duurde meerdere generaties en bepaalde in sterke mate de politieke verhoudingen in de regio.
Rond 1200 behoorden de graven van Tecklenburg tot de machtigste heersers in het noordwesten van het huidige Duitsland. In kronieken en latere geschiedschrijving worden zij vaak beschreven als oorlogszuchtig en geneigd tot gewelddadig optreden. Hun streven naar uitbreiding van hun macht bracht hen geregeld in conflict met andere territoriale heren en kerkelijke instellingen.
Tot 1173 hadden de graven van Tecklenburg de voogdij over het bisdom Münster. Tussen 1180 en 1236 oefenden zij ook de voogdij uit over het bisdom Osnabrück. Deze positie gaf hun veel invloed binnen de kerkelijke gebieden, maar zorgde tegelijk voor blijvende spanningen met de bisschoppen.
De bouw van het kasteel

Rond 1297 liet graaf Otto III van Tecklenburg de versterking Cloppenborch bouwen, vlak bij de nederzetting Krapendorf, om zijn noordelijke machtsgebied te beschermen. Het kasteel maakte deel uit van een reeks burchten waarmee de graven hun territorium wilden beveiligen tegen inmenging van buitenaf en hun greep op het grensgebied wilden versterken.
De val van Cloppenborch en de inlijving bij Münster (1393–1400)
Op 18 juni 1393 sloten de bisschoppen van Münster en Osnabrück samen met hun steden een verbond tegen graaf Nikolaus II van Tecklenburg. Nog datzelfde jaar trokken hun gezamenlijke troepen door het Tecklenburger Noordland. De Cloppenborch werd, samen met andere versterkingen in de regio, veroverd en kwam onder controle van de bondgenoten.
Op 28 december 1396 verkocht bisschop Dietrich van Osnabrück zijn aandeel in Cloppenburg voor 1100 goudgulden aan het bisdom Münster. Daarmee kwam het kasteel volledig in handen van bisschop Otto IV van Hoya van Münster. Toen graaf Nikolaus II in 1400 definitief afstand deed van zijn aanspraken, werd het gebied ingelijfd bij het Nedersticht Münster, het noordelijke en laaggelegen deel van het prinsbisdom.
Om zijn gezag te versterken liet bisschop Otto IV het kasteel tussen 1400 en 1411 uitbreiden en versterken. Hij vormde de burcht om tot een vesting met een duidelijke bestuurlijke functie. Voortaan diende zij als zetel van de drost, de vertegenwoordiger van de landsheer met militaire, juridische en politionele bevoegdheden. Vanuit dit bestuurscentrum ontstond het ambt Cloppenburg. Dit ambt hield toezicht op de omliggende dorpen en landerijen en bleef ook na het verlies van de militaire betekenis van het kasteel een belangrijke rol spelen in de regionale bestuursstructuur.
In 1492, het geboortejaar van Alef, maakte het ambt Cloppenburg deel uit van het prinsbisdom Münster. Daarentegen behoorde het gebied waar Alef later werkte en woonde, het graafschap Lingen behoorde daarentegen tot het machtsgebied van Tecklenburg.
->->-> De feodale samenleving
