
1. Huis Slömer, met kamer van Herman Kloppenborg
2. Winkel van Herman Kloppenborg
3. Winkel van Nicolaas Kloppenborg
4. Winkel van Theodoor Kloppenborg
5. Sterfhuis van Th. Kloppenborg
6. Winkel van Nicolaas Kloppenborg Vader en zoon.
7. Renteniershuis van Nico Kloppenborg
8. Winkel van Frits Kloppenborg
9. Bakkerij van Jan Remkes
10. Sterfhuis Nico Kloppenborg
De heer M. ter Laan Burgemeester van Zaandam beschrijft in 1940 in zijn “Aardrijkskundig woordenboek” Veendam als volgt:
Hoofdplaats van de Veenkoloniën tussen Muntendam en Wildervank.
De gemeente heeft 14.000 inwoners waarvan Veendam 10.000, Borgercompagnie 700, Karteakkers 200, Kibbelgaarn 130, Zuidwending 830, Ommelanderwijk 1250, Nummer dertien 100. De Godsdienstige gezindheid is N.H. 57% Geref. 9% Andere Herv. Richtingen 6% RK 6% en zonder geloof 20%. De inwoners werken er in de landbouw. Tuinbouw, Bloementeelt, Strokarton. Aardappelmeel Dextrine, Houtzagerij, Scheepsbouw. 3 scheepswerven en een steenbakkerij ook vindt men er enige tricotagefabrieken, machine vooral stoomketels en een steennoot knopenfabriek. De verhouding van de gewassen, was in 1963 50% aardappelen 25% rogge 20% haver 5% bieten- tarwe enz.
In 1648 liet Adriaan Geerts Wildervank de kanalen graven voor de afvoer van de turf. Zo ontstond Veendam.
Het schijnt, dat Veendam destijds een goed afzetgebied voor Herman is geweest. Want hij betrok een kamer in Veendam. Hij trok in bij de familie Slömer, die vermoedelijk nog familie van hem was. Want zijn grootmoeder heette Anna Gesina Slömers. Het is dus geen gewaagde veronderstelling, dat jonge Herman bij zijn familie steun en gezelligheid kwam zoeken. En voor zijn moeder zal het een geruststelling zijn geweest, te weten, dat haar jongen, die al zo vroeg op eigen benen moest staan, bij zijn familie een goed tehuis vond.
Het huis waar Slömers woonde, stond aan de Molenstreek, dicht bij de Kerklaan. De Molenstreek is het begin van de Ommelanderwijk.
In de voorkamer met de ramen op het zuiden had Herman zijn voorraad. De zijramen keken uit op de oliemolen van Mulder. Nu staat er op die plaats de bakkerij van Buskool.
Het begin was dus zeer eenvoudig. Herman trok er alle dagen met de “Kiebe” op uit. Zijn verkoopterrein lag schijnbaar vooral in de Ommelanderwijk, doorsnee en de Pekela’s. Nu kon hij bewijzen geven van goed koopmanschap. Zo ging het eerste jaar voorbij. Toen December aankwam, begon ook voor hem de grote trek naar zijn geboortegrond. Dan waren de postwagens vol jonge kooplui die in Holland, Friesland of Groningen hun zaken dreven. Want zodra de vorst was ingetreden, gingen ze naar hun ouders en familie terug om tegen het einde van januari weer naar hun zaken terug te keren. Ook Herman voelde die trek in zich en hij sloot zich aan bij zijn kennissen en vrienden. Zoals Bisschof, Dreesman, Berkemeijer, Dröge, Brenninkmeyer, Flint en zovele anderen, waarvan men nog duidelijk de Duitse oorsprong kan zien.
Die trek kan men het beste vergelijken met de trek van de ooievaars. Want ook deze vogels zijn op 28 augustus. Op weg naar het zuiden en de kooplui waren tegen december. Ook op reis. Er is echter een groot verschil, want bij de vogels gaan oud en jong op reis, maar bij de kooplui bleven dikwijls de ouderen achter omdat ze hier een eigen gezin hadden gesticht. Het schijnt wel, dat Hermon de eerste jaren goede zaken heeft gedaan, want nadat hij een paar jaar bij de familie Slömers had gewoond, zag hij uit naar een goeie stond om er een grotere zaak te beginnen. Hij koos daarvoor de hoek van de Kerkstraat in Veendam.
Het was een groot pand, dat zich uitstrekte vanaf de Kerklaan tot aan de tuin van de Veenlust. Op het ogenblik staan daar een paar winkelhuizen. In de achterkamer van Nico Kloppenborg in Veendam hing een schilderij van het pand van Herman.
Toen Herman het pand betrok had hij meer dan voldoende ruimte voor zijn manufacturen zaak. Hij breidde dit zo veel mogelijk uit en nam er nog kruidenierswaren bij. Vooral koffie en sterke drank waren artikelen die zeer veel aftrek vonden.
Toen hij zo een paar jaar gewinkeld had, kreeg hij kennis aan een zekere Flinker die in Oude Pekela woonde. Doordat hij meerdere keren reeds bij deze familie was geweest om zaken te doen, voelde hij zich steeds meer tot deze vrouw aangetrokken.
Nadat zij een tijdlang kennis aan elkaar hadden gehad zijn ze verloofd. En omdat Herman wel een vrouw in zijn zaak kon gebruiken, hebber zij zich niet lang bedacht en zijn getrouwd. Hoe lang ze precies getrouwd zijn geweest, heb ik niet kunnen achterhalen. Alleen is bekend, dat het huwelijk kinderloos is gebleven. Zij stierf kort nadat zij getrouwd waren. Toch meen ik te mogen zeggen, dat net getrouwde leven aan Herman goed is bevallen, want na een paar jaar maakte hij Gesina ten Horn het hof.
Het schijnt, dat Gesina niet ongevoelig is geweest voor de galanterie van Herman want enige tijd later zijn ze getrouwd. Het leeftijdsverschil van deze jongelui was zeer groot!
Daarom ben ik dan ook niet ongenegen te geloven dat ze op haar trouwdag met meisjes van haar leeftijd zou hebben = gebikkeld = Het bikkelen is een spelletje, dat de meisjes graag doen. Zij nemen daarvoor vier bikkels van ijzer of been. Benen bikkels zijn de kniebeentjes van schapenpoten. De speelster zoekt een iets afhellend vlak, bijvoorbeeld een brede vensterbank. Ze gooit de bikkels daarop, neemt een knikker en nu werpt ze telkens de knikker op het hellend vlak. Gedurende de worp draait ze telkens een bikkel om en moet dan direct de knikker weer opvangen totdat alle bikkels met hetzelfde vlak boven liggen. De vlakken van de bikkels zijn alle vier verschillend, zodat dit spel vier keer herhaald kan worden. Gezina kon schijnbaar moeilijk afstand doen van haar meisjestijd, want het is wel eens voorgekomen, dat zij aan het knikkeren was, terwijl haar man tegen etenstijd al in de verte terugkwam van zijn reisroute. Ze moest zich dan haasten om het eten klaar te krijgen. Hieruit zou men kunnen concluderen, dat het kiezen van een levensgezellin een ernstig werk is en dat het zeer grote verschil in leeftijd weleens kleine strubbelingen kan veroorzaken.
Uit dit huwelijk werden een meisje en vier jongens geboren. Het meisje heeft slechts kort geleefd. De jongens waren
1º Bernard geb. 15 mrt 1844
2º Hendrik geb. 4 mrt ’46
3º Nicolaus geb. 2 jan ’48
4º Frits geb. 19 mrt 51
Intussen gingen de taken steeds crescendo en mocht Herman zich verheugen in een steeds groter aantal klanten. Van lieverlee bleef hij meer thuis en liet een bediende de buitenklanten bezoeken. Juist in de jaren dat hij jaarlijks de zaak zag groeien brak in West-Europa de gevreesde cholera uit. In de herfst van 1854 werd ook Herman door deze gevreesde ziekte aangetast. Slechts enkele dagen was hij ziek en stierf op 26 oktober 1854. Hij was slechts 51 jaar geworden In hem ging een edele katholiek heen, die zich niet geneerde voor zijn katholieke principes uit te komen. Hij deed veel voor de katholieke kerk in Veendam, die juist in zijn tijd gebouwd werd, ook voor de armen en behoeftigen droeg hij het hart op de rechte plaats.
En ofschoon ik geenszins twijfel, of Herman zal zijn plaats reeds lang hebben ingenomen die van alle eeuwigheid voor hem is weggelegd, verzoek ik toch op deze plaats iedere lezer even in zijn gebed aan Herman te willen denken.
Zijn vrouw liet hij de zaak na met vier jonge kinderen van 10, 8, 6 en 3 jaar Het was voor haar een moeilijke tijd om naast de opvoeding van de kinderen ook de groei van de winkel te bevorderen. Maar zij was een sterke, flinke zakenvrouw in wier handen de zaak veilig stond. Daarbij was zij nog jong en vol levensmoed.
In die jaren was de firma Wubbe in Amsterdam een der grootste grossiers in manufacturen in Nederland. Zij bezat vele vertegenwoordigers, of reizigers over het gehele land. Onder deze reizigers waren er liefst drie met de naam “Meyer”. En om deze goed uit elkaar te houden werden ze genoemd naar hun geloofsovertuiging. Zo kwam het, dat er een katholieke Meyer, een lutherse Meyer en een joodse Meyer was.
De katholische Meyer bereisde vooral het noorden des lands. Toen Herman nog leefde kwam hij hem regelmatig bezoeken. Hij was geboren in Röningen een kleine plaats ten noorden van Freren en zijn voornaam was Theodoor. Het is dus begrijpelijk, dat er tussen Herman en Theodoor Meyer een stevige vriendschap heeft bestaan.
Na de dood van Herman bleef Meyer de jonge weduwe met raad en daad bijstaan. Ook zij wist deze belangrijke adviezen steeds te waarderen. Het kwam zover dat zij haar belangen bij hem veilig voelde. Ook Meyer maakte steeds gaarne de reis naar Veendam. Kwam hij vroeger eens per drie maanden, nu bracht de postwagen hem bijna iedere maand naar het hoekje van de Kerklaan.
In die tijd begonnen beiden te merken, dat hun gevoelens voor elkaar meer betekenden dan eenvoudig vriendschap.
Meyer zag graag de rijzige gestalte Gezina, terwijl het hem niet ontging, dat de jaren niet in staat waren geweest haar frisse blos van haar jeugdige wangen weg te vagen. Ook zij voelde zich uitgelaten van blijdschap als zij de postwagen zag aankomen die Meyer bij haar zou brengen. Zij zag in Meyer een heer, een gentleman, die zijn wereld kende, die veel had gereisd en aardige verhalen wist samen te stellen over alles wat hij in de grote steden of op reis had beleefd.
Hij had een frisse gelaatskleur met donkerblond tot zwart krullend haar. Als hij op reis ging en zijn klanten bezocht droeg hij een net zijden vest en met zijn hoge zijden hoed kon hij opvallend vriendelijk groeten.
Dit laatste vooral viel bij Gezina bijzonder in de smaak. Het duurde dan ook niet lang of Meyer had met zijn aangeboren galanterie het hart van Gezina veroverd en daarmee het jawoord gekregen. In de herfst van 1856 zijn ze getrouwd. Uit dat huwelijk werd slechts een kind geboren, namelijk een meisje, genoemd Rika als roepnaam en Henriette als doopnaam.
Vanaf de komst van Meyer begon voor de winkel een nieuwe bloeitijd, want Meyer besteedde al zijn zorgen aan de zaak en bleef in de winkel werken, terwijl hij het bezoeken van de buitenklanten aan bedienden overliet. Hij was een prettig mens om mee om te gaan, zat vol kwinkslagen en aardigheden en wist daardoor veel klanten tot zich te trekken.
In die tijd had Meyer een bediende Johan. Deze Johan was blijkbaar ook niet van humor verstoken, wat zal blijken uit het volgende: Meyer had n.l. de gewoonte elke morgen als Johan de deur uitging om de boer op te gaan, hem terug te roepen om nog een of ander klein wissewasje na te vragen. Toen Johan al meerdere malen was teruggeroepen, bedacht hij een list. Toen hij de volgende dag weer de deur uitging, zette hij zich op het hekje voor de zaak neer.
Het duurde maar even of de heer Meyer kwam naar buiten en schreeuwde met de handen voor de mond in de richting van Ommelanderwijk “Johan, Johan”
Plotseling zag Meyer Johan op het hekje zitten. Sinds die tijd werd Johan met meer teruggeroepen.
Of Meyer het volgende persoonlijk heeft meegemaakt of misschien wel geheel heeft gefantaseerd, doet aan het verhaal weinig af.
In Amsterdam was hij eens verzeild geraakt in gezelschap van een paar kwartjesvinders. Ze stelden hem voor in een café een kaartje te gaan leggen.
Daar hij hun toeleg niet vermoedde, ging hij op het voorstel in. Eerst lieten ze hem winnen, maar al spoedig wisten ze door allerlei trucjes hem steeds te laten verliezen.
Toen Meyer flink verloren had was de avond voorbij. Zij spraken af de volgende avond nog eens te gaan kaarten.
In de loop van de volgende dag zat Meyer te piekeren op welke manier hij zijn verloren geld kon terug krijgen.
En ziet het geluk is hem dienstig.
Hij ging naar de middagvoorstelling van Carré en zocht daarna een van de atleten op om met hem de avond door te brengen. De man ging op het voorstel in en het duurde niet lang of ze zaten te kaarten met de spelers van de vorige avond in het afgesproken café. Ook nu weer wonnen Meyer en zijn vriend eerst, maar spoedig draaiden de kansen doordat de boeven elkaar seinen gaven met de voeten. Toen daar aanmerking op gemaakt werd door de vriend van Meyer keerden weer de kansen. Toen Meyer en zijn vriend flink wat hadden gewonnen, wilden zij het spel staken. Dit was echter niet naar de zin van de flessentrekkers, die probeerden ruzie te maken. Toen de boeven tot handtastelijkheden overgingen, meende de atleet de tijd gekomen. Hij pakte beide boeven bij het nekvel en bracht ze zo naar de dichtstbijzijnde politiepost. De politie was zeer dankbaar voor zijn hulp, want het waren een paar schurken waarover al vele klachten waren binnengekomen.
Het was in die tijd, dat de firma Sinkel een zaak in manufacturen in Amsterdam was begonnen. Deze handige koopman hield er een eigenaardige manier van reclame op na. Meyer vertelde n.l. het volgende. Hij was eens in Amsterdam en keek daar naar een opstootje, zoals dat in Amsterdam zo dikwijls voorkomt.
Twee mannen waren aan het bekvechten.
Het ging erom wie gelijk zou hebben. Toen er zich een grote menigte volk rondom verzameld had, stelde een van de vechtende mannen voor de kwestie aan de heer, Sinkel voor te leggen.
“Sinkel is een eerlijk en rechtvaardig man, die gelijk zal geven aan degene, die werkelijk gelijk heeft.”
De beide mannen gingen daarna in de richting van de zaak Sinkel en velen liepen mee. Na verloop van een uurtje herhaalden zij in een ander stadsdeel hetzelfde spelletje.
Zo werd de zaak “Sinkel” gunstig bekend gemaakt. Later zongen de klanten: “In de winkel van Sinkel is alles te koop. Bont en breigaren, knopen en stroop.”
Meyer had de goede gewoonte minstens eenmaal per jaar al de klanten te bezoeken die geregeld door de bediende werden bezocht. Hij reisde dan zijn klanten af niet zozeer om te verkopen dan wel om de vriendschapsband te verstevigen.
De klant van zijn kant beschouwde het als een eer, dat koopman Meyer bij hem op visite kwam en beijverde zich zo veel mogelijk de koppen koffie en eventuele brandewijntjes met suiker weer goed te maken. Zo was hij eens op bezoek bij een ouderwetse boer.
Het ging tegen 12 uur en daarom werd Meyer uitgenodigd mee aan tafel te komen om te eten. Ook de kinderen aten mee. Ook was er voor iedere eter een gat in de tafel, waar een klein kommetje in paste. Dit kommetje diende voor jus of botersaus. Toen er nu al flink wat aardappels gegeten waren en het kommetje van een van de kinderen al leeg was, vroeg dit kind om een beetje nieuwe jus.
Mar de vader zeide, wijzende op het kommetje van zijn vrouw: “Schep maar in moeders gat, daar zit boter in!”. Het schijnt wel, dat Meyer veel anekdotes op zijn naam had staan, want ook de volgende is door hem naverteld.
In die tijd was er in Veendam een pastoor, die een oprecht herder van zijn parochie genoemd mag worden. Want hij verzorgde niet alleen het geestelijke deel van zijn kudde maar vergat ook niet het stoffelijke. Eens op een zondagmorgen, nadat de goede pastoor de vroegmis had gelezen, was hij op zijn morgenwandeling in de richting Borger compagnie. Hij liep stevig door en haalde een van zijn parochianen in met de voornaam Lammert. Lammert was een vriend van Vader Bacchus. Hij verwaarloosde zijn kerkelijke plichten, en kwam alleen in de kerk als hij dacht er wat van te kunnen halen. Toen de Pastoor Lammert had ingehaald, zei hij: “Lammert, Lammert, waar moet dat heen.” En Lammert, die de vraag al te letterlijk opvatte, antwoordde: “Naar Kiel, meneer Pastoor.”
Het zal zo omstreeks 1860, misschien ook wat later geweest zijn, dat de winter al vroegtijdig inviel. Met de kerstdagen waren de kanalen al een week berijdbaar geweest en menigeen vermaakte zich met schaatsen en ijssport. Toen eind januari er nog geen verandering in de temperatuur kwam, was de lol al lang van het ijs af. Door velen werd niet meer verdiend en anderen hadden hun reservepotje al lang opgeteerd. Ook februari bracht geen verandering, veeleer werd het nog slechter, want met de ijzige kou kwamen er nog zware sneeuwjachten uit het oosten opzetten.
De kapelaan, aangestoken door het goede voorbeeld van zijn pastoor deden beide, wat maar in hun vermogen was om de nood zo veel mogelijk te lenigen. Iedere dag doorzocht de pastoor zijn kisten en kasten of er nog wat hing, dat gemist kon worden. En ook ergerde de huishoudster zich over de bemoeizucht van de pastoor.
Zo was de toestand, toen de pastoor begin maart bij Jan Seggers werd geroepen. Jan Seggers was scheepsjager. Als hij flink verdiende, was hij meestal dronken, was er niets te verdienen, dan was armoede en gebrek zijn deel. Nu echter was Jan Seggers ziek, hard ziek door honger en kou. Toen de Pastoor het achterkamertje betrad in de armzalige Baenderhorn, lag Jan rillend van koorts te bed. Hij was nauwelijks door een paar versleten dekens gedekt. De pastoor zag al direct dat een goede deken het enige goede geneesmiddel was. Toen hij weer thuis was zocht de pastoor alle bedden na, of er nog niet een deken gemist kon worden, maar een deken vond hij niet. Toen zocht hij de hangkasten na en vond een dikke lakense toog.
“Ha” dacht hij. “Die geeft zeker evenveel warmte als een deken. Die zal ik Jan Seggers brengen” Zo kreeg Jan Seggers een toog. En hiermee zou het verhaal afgelopen kunnen zijn, als niet spoedig daarna de dooi was ingetreden, Jan weer opknapte en zijn vak van scheepsjager weer had opgevat. Want op zekeren dag… de goede pastoor kon zijn eigen ogen niet geloven… Jan Seggers in zijn toog achter zijn paard strompelen en een grappenmaker had Jan een versleten hoge zijden hoed op zijn hoofd gedrukt. Of de Pastoor ooit zijn toog heeft teruggekregen, meldt de geschiedenis niet. Toch was Jan een wandelend bewijs van de vrijgevigheid van de goede pastoor.
Onder die bedrijven groeiden de vier jongens van Herman Kloppenborg flink op. En Meyer was een leuke tweede vader voor hen.
Als ze op een leeftijd van een jaar of veertien waren, gingen ze naar Schapen naar de handelsschool en brachten hun kleine vakanties bij hun familie in Freren door.
Als ze deze school met goed gevolg hadden doorlopen, kwamen ze thuis om zich verder in het manufacturen vak annex kruidenierswaren te bekwamen.
Een voorname bezigheid van de jongelui was het koffiebranden. De bonen moesten dan in een grote pot op een matig vuurtje doorlopend goed geroerd worden, tot ze allemaal even bruin waren. Ook moesten de jongens dikwijls rozijnen en krenten uitzoeken. Maar als ze hiermede bezig waren, moesten ze altijd fluiten om te voorkomen dat ze de rozijnen en krenten zouden opeten.
In 1868 werd de spoorlijn Groningen – Winschoten en verder naar Duitsland gelegd.
Dat was een gebeurtenis van de eerste rang. Om deze trein te zien voorbij te zien rijden gingen de jongelui van Veendam, ‘s zondagsmiddags na het lof van drie uur naar Zuidbroek. Ze liepen dan langs het Oosterdiep, gingen linksaf naar Muntendam en kwamen zo in Zuidbroek. Ook de jongelui van Sappemeer hadden deze goede gewoonte, maar de jongelui van Sappemeer werden dikwijls vergezeld door de jongedames.
Vermoedelijk zal hier wel de eerste kennismaking gemaakt zijn tussen Veendammer jongelui en Sappemeerder meisjes. Langzamerhand waren de jongens opgegroeid tot jongelui en vervolgens tot mannen.
Bij Bernard en Hendrik zat de trek tot reizen in het bloed. Vooral naar Duitsland gingen ze graag. Het gevolg hiervan was, dat ze zich na enige tijd gingen vestigen in Bremerhaven waar ze een zaak gingen drijven in scheepsbenodigdheden.
Het moet bij zo’n soort afscheidsfuifje gebeurd zijn, dat er vele jongelui, jongens en meisjes bij de landbouwers familie Vroom op een Zondagavond samen waren gekomen.
De oudelui waren bij een andere familie op bezoek. Zo kwam het, dat de jongelui volkomen vrij spel hadden. Om aan het feest meer vreugde te geven werd er gedanst en hadden ze zich versierd met mutsen en neuzen, zoals dat op een bruiloft wel meer gebeurt. Toen het feest in volle gang was, kwam plotseling de goede pastoor binnen.
Enkele van de feestelingen namen direct hun mutsen en neuzen af, maar enkelen vergaten dit in hun verbouwereerdheid. En juist dezen waren het die de pastoor uitnodigden te gaan zitten.
Ze knikten tegen de pastoor en boden hem koffie aan. De pastoor, in de mening, dat ze hem voor de gek hielden, maakte zich kwaad en verliet het huis. De zondag daarop volgende werd er vanaf de preekstoel gesproken over de lichtzinnigheid van de jeugd en het weinige respect dat de jeugd voor de priester toonde. De ouders, die de preek aanhoorden, ergerden zich niet weinig over het gedrag van hun kinderen en namen zich voor hen straks eens even onderhanden te nemen. Toen de ouders echter de ware toedracht hadden vernomen, konden ze moeilijk hun lachen bedwingen.
Toen Bernard en Hendrik naar Bremerhaven waren vertrokken, voelde ook Nicolaus er veel voor om voor zichzelf een zaak te beginnen. Frits was wat hardhorig en minder scherp van gezicht, daarom was hij voorbestemd om de ouderlijke zaak later te krijgen.
Nicolaus keek dus uit naar een geschikte plaats voor een manufacturenwinkel. Hij slaagde erin de hand te leggen op een pand aan het Westerdiep, een huis of vijf vanaf de Kerklaan in Veendam.
De taak werd overgenomen van de heer Vroom die in het pand een “laken en buskruit handel” had gedreven. In het bovenraam van de achterdeur stond nog lange tijd de naam “Vroom”. Links was de winkel met twee etalageramen en rechts daarvan met een opstapje de woonkamer en achter de winkel was een andere kamer, waarnaast een kleine slaapkamer die, in die tijd, alkoof werd genoemd. In de gang, die naar de kelder en de keuken leidde, stonden op een stelling een vat jenever en een vat brandewijn. Rechts achter de keuken was een schuur voor petroleumvaten enz.
Onder de toonbank rechts stonden de vaatjes met stroop en olie. Ook stond in die buurt altijd een mandje met vijgen. Het was dus een manufacturenwinkel annex kruidenierswaren.
Toen de zaak was opgericht en de klanten begonnen te komen, meende Nicolaus de tijd gekomen, om naar een geschikte vrouw uit te zien.
Liefst had hij een vrouw, die meteen ook in de winkel kon bijspringen, als dat nodig mocht blijken. Toen herinnerde hij zich, dat hij weleens een meisje van Remkes van Sappemeer naar de trein had zien kijken, als hij zelf met zijn vrienden ook naar Zuidbroek was gekomen om dat te zien.
Hij wist van horen zeggen, dat die meisjes een zeer goede naam hadden als zakenvrouw. Ook wist hij dat een van die meisjes met Rudolf Hensen van Schildwolde en een ander met Ruding in Groningen getrouwd was. Beiden waren manufacturiers. Van toen af aan deed hij
zijn best om met Christina Remkes in contact te komen. Om u een volledig beeld te geven van de kennismaking, verloving en huwelijk van Nicolaus Kloppenborg en Christina Remkes, meen ik niet beter te kunnen doen, het woord te geven aan de dichter zou het feestlied op hun zilveren bruiloft, dat door P. Greitemann, de eerste en oudste schoonzoon werd voorgedragen.
Het was de trouwdag van hun oudste dochter Gezina, met Piet Greitemann de 20ste oktober 1900.
O, Dames, Heeren, King ik van avond, zoo u ziet
Zing ik vanavond eens een lied
Wat mij nooit overkomen is
Dat overkomt mij nu gewis.
‘k Had nooit gedacht, dat in Veendam
Ik nog eens bruiloft vieren kwam;
ook had mij niemand ooit gezegd
wat hier voor mij was weg gelegd.
Enfin gelukkig Ouderpaar
Het is een dubbel feest dit jaar
Het eind van. ’t jaar moet, hoe t ook schijn
voor U bepaald plezierig zijn.
Als Schoonzoon, hier geheel reeds thuis
ontving u mij in uw gastvrij huis
Ik wenschte, toen ik U vanmorgen zag
wat mij op ’t harte lag. Reeds vroeg, wat mij op.
Ook nu deez avond voegt het mij
Te zingen op uw jubeltij,
ook nu deez avond roep ‘k U toe
Leeft jaren bei’ nog, blij te moe.
Gods zege dale keer op keer
op u en op uw kinderen neer.
Dat ziekte, of wat ’t ook moog zijn
Heel spoedig uit uw huis verdwijn.
Dat op den nieuwen levensbaan.
steeds bloemen op uw wegen staan
Geluk en voorspoed anders niet
Wenscht U uw eerste schoonzoon Piet.
De gewoonte toch in Amsterdam
Breng it thans over naar Veendam
Was daar een Groen of Koopren feest
Ik ben er altijd bij geweest.
Weet u wat daar steeds werd verricht?
Daar werd het doopceel opgelicht
Het vierend paar werd; ‘t moet zoo wezen
Altijd daar flink de les gelezen.
Daar toch kregen zij te verstaan
Wat zij alzoo hadden gedaan
Hoe ‘t vrijen aankwam en zo voort
Iets ‘k nog niemand had gehoord.
Welnu feestvierend ouderpaar
Misschien kom ik er ook mee klaar.
Ben ‘k soms onduidelijk in mijn lied
Ik bid U, critiseer mij niet.
‘k Roep Dames Heeren bij ’t begin
De clementie van U allen in.
Indien ’t iets zeg, wat met zoo is
Denk dan maar, dat ik mij vergis.
‘k Laat U thans hooren in Veendam
Hoe Pa aan zijn Christine kwam.
‘t Zal U doen zien in korte trekken.
Hal Pa raakte aan het trekkebekken.
Pa dan was 27 jaar
Was steeds alleen, vond dat zoo naar
Hij had het trouwen wel gedaan
Maar durfde niet best vragen grand gedaan.
En had hij graag zijn hart verpand
Die woonde op het Hoogezand
Zoo ‘n vrouw sprak hij, dat was geen straf
Doch hij durfde er maar niet op af
Toch trok hij de stoute schoenen aan
En is naar ‘t Hoogezand gegaan
Een boodschap had hij lang niet klaar
Hij kocht een beetje klaverzaad
Dat hij er toen is heengegaan
Heeft hij niet uit zichzelf gedaan
Hij volgde Grootmoe Meyer ’s raad.
En dit leek hem volstrekt niet kwaad.
Toen he op het Hoogezand dan kwam
En Remkes zijn bezoek vernam
Toen zeide deze; “Hoor eens man,
Het begint met de oudste hier af ân.”
En Pa verslagen, droef te moe
Hij had zijn zin gezet op moe
Meisjes en aardappels zoek je uit
Riep “Dat doe ‘k nooit, dat is verbruid.”
Enfin, het beste beentje voor
Kreeg hij de zaak er eindelijk door
En elken Maandag nu voortaan
Zag men naar ’t Hoogezand hem gaan.
Maar hoe gaat t met verliefde lui
Na mooi weer komt soms een donderbui
En de dag was dan ook eindelijk daar
Dat zij ruzie kregen met elkaar
De reden zeg ik U hier ras
Bij gelegenheid dat Moe jarig was
Had Pa op het Hoogezand gekomen
Geen cadeautje voor haar meegenomen
En Moe, die zei toen; “nou, nou, nou
Zeg Nicolaas, ik heb pleizier van jou;
Ga jij maar, waar jij vandaan kwam.
Ga jij gerust weer naar Veendam
En Pa, die ging met loome schréen
Weer naar het stille Veendam heen;
En lucht scheppend voor ’t open raam
Bracht, hij het offer in Godes naam.
Als Grootmoe Remkes het had gehoord
Toen eerst toch kwam het hooge woord
Christien, Christien, zoo riep zij nou
Wat beleef ik toch nog wat met jou.
Maar wat zei Grootva Remkes dan
Die had de grootse lol ervan;
Die toonde helemaal geen spijt.
Want die wou zijn dochtertje niet graag kwijt.
En Pa bewogen, aangedaan
Liep dromend door de nieuwe haan
O! O! riep hij angstig uit
Verschrikkelijk heb ik het verbruid.
Christien, Christien, jij doet mij zeer
Reeds morgen toch schrijf in je weer
En ‘s avonds had hij reeds vernomen
Of hij alsjeblieft mocht wederkomen.
En Moe, zij was toen zoo verblijd
U begrijpt hij had al lang reeds spijt
Onmiddellijk ging een telegram
Naar Nicolaas Kloppenborg in Veendam.
En Pa werd beurtelings bleek en grijs
Des middags reeds ging hij op reis
Op ’t Hoogezand was toen een feest
Zoo als ‘t nog nimmer was geweest.
Nu echter paste hij op zijn post
Hij had gezegd, wat ’t kost, dat ’t kost
Want zondags bracht hij keer tevrêê
Voor Moe een prachtig album mee.
En kort daarna zag men het paar
Dan ook reeds voor het echtaltaar.
Het was wel moeilijk toegegaan
Thans toch was er een einde aan.
Tien dagen hebben zij zich goed bedacht
Toen toch in Duitsland doorgebracht
En ’t eind der reis was, zoo u weet
Naar Veendam met zijn lief en leed.
En nu is ’t 25 jaar
Dat dit gelukkig ouderpaar
Hun zilveren feest viert, weer tevreen
Met al hun kinderen om zich heen.
Ook ik deel in dit feest vandaag
Ook ik wil meedoen en heel graag
Dat ’t deel uitmaakte van uw gezin.
Stelde ik reeds prijs op bij `t begin.
Nu ‘k echter nog verwacht de dag
Dat ik uw dochter toch geleiden mag;
Hier naar ’t Hoog heilig Echtaltaar
Nu echter is mijn blijdschap daar
Geliefde Ouders hoor mij aan
‘k Hoop dat ‘t U altijd wel mag gaan
Dat Moe steeds in gezonde staat
Met Pa steeds door het leven gaat
Dat alles, hoe het soms ook schijn
Steeds heilzaam voor u moge zijn
Dat U in het nieuw begonnen jaar
Zaam gelukkig zijn kunt met elkaar
Wordt dat vervuld, dan ben ‘k voldaan
En breekt de dag dan daarvoor aan
Dan hoop ik, dat U uit Veendam.
Ons komt bezoeken in Amsterdam.
Het lied werd gezongen met een refreintje “Hela-hola” en oogstte geweldig veel bijval.
Let op! Ik heb het gedicht in de oude spelling overgeschreven.
Toen Nicolaas goed en wel getrouwd was en de winkel op het westerdiep weer had betrokken, ging hij enkele dagen in de week zijn oude klanten weer bezoeken en liet in die uren de zorg van de zaak aan zijn vrouw over.
Maar langzamerhand breidde de winkelnering zich steeds meer uit. Daarom liet hij het klantenbezoeken liever over aan een bediende en bleef voortaan thuis.
Langzamerhand ging hij inzien, dat er aan de manufacturen meer was te verdienen, dan aan de kruidenierswaren. Hij breidde daarom de lapjes voorraad uit en kromp de voorraad kruidenierswaren in. Alleen de verkoop van sterke drank bleef nog zeer lang gehandhaafd. Ongeveer in de jaren 1895-1900 begon het gemaakte goed, het stukgoed gaandeweg te verdringen. Vooral de schippers hadden veel belang bij gemaakte kleding. De eerste gemaakte goederen, die Nicolaas opnam, waren vooral boezeroens, beoverteen broeken (Belgisch model) en korte winterjasjes voor schippers, zogenaamde monkies.
Toen de vraag naar gemaakte goederen bleef aanhouden, werd de kamer aan de straat speciaal voor de herenkleding ingericht. Er werden grote spiegelruiten geplaatst in plaats van de kamerramen. Dit was meteen geschikt voor etalage. In die tijd was de oudste zoon Theodoor in betrekking in Rotterdam bij de firma Rötgering.
En toen Theodoor zijn leertijd achter de rug had, vond Vader Nicolaas de tijd gekomen om een tweede zaak te beginnen. Hij zocht en vond het pand van de Heer Herwig; een zaak in goud en zilverwerken aan het Oosterdiep, bij de Schoolstraat. Vanaf het het begin ging de zaak goed, zelfs zo goed, dat spoedig een vergroting nodig was.
Indien tijd begon zijn vrouw Christien te sukkelen. Zij was in de overgangstijd en zenuwen speelden daarbij een grote rol. Jarenlang lag ze te bed terwijl haar dochter Cathrien haar zorgzaam verpleegde. Van lieverlee werd ze wel wat beter, maar volkomen gezond is ze nooit weer geweest.
Toen Nicolaas sr een kleine hartaanval had gehad, deed hij de zaak over aan zijn zoon Nicolaas. Hij trok zich uit de zaak terug en ging wonen op de hoek Schoolstraat Westerdiep.
Een paar jaar later betrok hij het huis naast de zaak aan het Oosterdiep. Hier kreeg hij meerdere keren hartaanvallen zodat hij de laatste jaren gedeeltelijk was verlamd en in een driewielig karretje moest rijden.
Op 13 september 1925 stierf hij op 77-jarige leeftijd.
Toen Nicolaas in de kist lag en zoals gebruikelijk familie en vrienden kwamen bidden, waren ook de heren Theodoor Holthuis en Bernard Schmidt aanwezig: Een van beiden zei: “Ik wou daar wel in zijn plaats liggen.” Waarop de ander antwoordde: “Ik ook wel.”
Ons Noorden -R.K. Dagblad van de Noordelijke provinciën- schreef op 14 Sept 1925 Veendam:
“Een achtenswaardig man overleden. Op 77-jarige leeftijd is zaterdagmorgen na geduldig lijden overleden de heer Nicolaas Kloppenborg. Hij was een man de ouderwetsche degelijkheid, die gepaard ging aan een benijdenswaardigen godsdienstzin. Al zijn daden stelde hij in het licht van een groot en goed geloof. Met de hem gegeven gaven, werkte hij eenvoudig zonder gekend te willen worden, daar waar niet direct de plicht zulks vroeg; vijfendertig jaar was hij lid van het Kerkbestuur en tot zijn dood bleef hij in dit ambt erkend.
Dit sobere, welbestede leven kan in onze dagen velen ten voorbeeld zijn. God geve hem het loon voor zijn werken ten goede”
Toen Nicolaas goed en wel begraven was en het leven weer zijn normale gang had hernomen, verlangde zijn vrouw Christina ernaar om in het Pension in de Pausgang in Groningen te worden opgenomen. Zij wilde daar graag haar laatste levensjaren doorbrengen omdat ze daar als kostschoolmeisje vele herinneringen had. Maar juist in die tijd was er geen kamer vrij, zodat zij enige tijd moest wachten. Toen er eindelijk een plaats vacant was, was zij reeds zo ziek, dat er weinig kans bestond dat zij de plaats nog ooit zou innemen.
Zij volgde haar man naar de hemel op 9 november 1926.
En ofschoon de krant van die dagen haar liefdadigheden niet wereldkundig heeft gemaakt, meen ik deze gelegenheid te mogen benutten en bekend te maken, dat zij zeer milddadig was.
Vooral de arme zieken en ouden van dagen heeft zij met haar hulp en levensmiddelen menig plezierig uurtje laten beleven.
