Freren is een klein stadje met een kantongerecht. In 1900 waren er 671 inwoners.
Het paard was oud en het rijtuig was niet nieuw meer. Op de bok zat Hendrik van Duren. Hij had als oudste van de broers het boerderijtje geërfd.
Maar het was een zwaar belaste erfenis. En als hij nu maar werkzaam was geweest, maar werklust ontbrak hem. Zo kwam het, dat zijn boerderijtje steeds meer achteruit ging. Terwijl hij nu in zijn wagentje over de keien voort hobbelde, dacht hij na over de mogelijkheid om van zijn boerderijtje een goed winstgevend bedrijf te maken, of althans het zo ver te brengen, dat hij er een goed stuk brood in kon verdienen.
Hij als vader van zijn kinderen moest toch in staat zijn een behoorlijke boterham te kunnen verdienen en ervoor te zorgen dat zijn kinderen later ook aan de slag konden komen.
Al dikwijls had hij zo gedacht als nu, maar al nam hij zich ook voor nog zo werkzaam maar te zijn, steeds weer zag zijn land er slechter uit, dan dat van zijn buurman. Ja, wat was het een eeuwig geknoei. Hij benijdde zijn buurman, die vannacht was gestorven. Die was nu van al dat gezorg en geploeter af.
Goed voorbereid was hij de eeuwigheid in gegaan. Hij had altijd behoorlijk geleefd. Hij was goed geweest voor kinderen. Hij had steeds hard gewerkt en kon dus tevreden zijn, omdat hij het er goed had afgebracht. Zo dacht Van Duren over zijn gestorven buurman.
Het paard liep stapvoets en het wagentje schokte over de keien.
Bij iedere schok knikte het hoofd van Van Duren dieper op zijn borst. En was de weg effen geweest, vermoedelijk was hij dan wel in slaap gevallen, maar door het schokken bleef Hendrik wakker.
Hij beleefde een van zijn ernstige ogenblikken. Dat overkwam hem anders maar zelden. Meestal was hij met gekheid bezig. Maar nu was deze nacht zijn buurman gestorven.
Hij en zijn vrouw hadden de hele nacht bij de zieke gewaakt en dat was zeker de oorzaak van zijn zwaarmoedige bui.
Hij zag zijn buurman weer in doodsangst op het eenvoudige bed liggen. Toch was de stervende berustend geweest. Hij was niet bevreesd voor de dood en wat daarop volgde.
Toen zijn vrouw de gebeden voor de stervende had gebeden, had hij de eenvoudige gebeden mee gestameld.
Ja, zijn vriend zou wel goed af zijn. Nu was hij op weg om het overlijden aan de burgemeester bekend te maken.
Dat was weer een van die nieuwigheden van de tegenwoordige tijd. Als er vroeger iemand doodging werd dat aan de vrienden en kennissen verteld.
Nu moest je dat eerst aan de burgemeester vertellen. Allemaal gekheid van Napoléon. En voldeed je niet aan de voorschriften dan kon je ook nog wel last krijgen ook. Hij hield niet van nawerk en zijn vrouw nog minder en daarom hadden ze vanmorgen dan ook maar direct besloten om naar de burgemeester te gaan en aangifte te doen van overlijden.
Het paard had er moeite mee, want de weg liep een beetje omhoog.
Aan beide kanten was laag dennenhout aangeplant. Daar tussendoor in de verte even zichtbaar lagen grote gele zandvlaktes met hier en daar wat heide en soms een paar berken met witte bast. Nog verder weg lagen een paar kleine boerderijtjes.
Hoe meer hij Freren naderde des te meer kwam hij onder de indruk van zijn droevige opdracht. Voor hem lag nu Freren. Links van hem liep de grote weg naar Lingen en rechts was de weg naar Rheine in Osnabrück. Hij reed recht op het grote huis aan, waar de burgemeester woonde.
In het midden van dit huis was een stoep met drie treden en daarna kwam de deur. Vanaf de stoep tot aan de straat, lagen Bremer vloeren.
De opgang was ongeveer vier meter lang, aan beide kanten daarvan was een ijzeren hek, dat zowel links als rechts het huis en een groot gedeelte van de tuin omstoot. Achter de voordeur was een brede gang. Door de rechterdeur ging men in de winkel.
Iemand, die niet met het winkelbedrijf bekend was, zou niet gezien hebben dat het een manufacturenwinkel was. Want alle stoffen, flanellen, baaien en bevers waren in papier verpakt, zodat een niet ingewijde aan de verpakking niet kon zien, dat het manufacturen waren.
De winkel was een grote ruimte met aan de straatkant drie hoge, br
ede ramen. Voor deze ramen hingen lange gebloemde vitrage gordijnen en daarachter hingen geplooide damast gordijnen in donkerrode kleur. Boven hingen rabatten van dezelfde stof en kleur. In het midden stond een grote uitschuiftafel en hier en daar vooral aan de wand stond een enkele stoel. De klanten konden dus aan de tafel gaan zitten en het gevraagde werd hen dan daar voorgelegd. Maar veel klanten kwamen er niet in de winkel, want het meeste werd op staalboekjes verkocht, omdat de koopman met zijn goederen de boer opging.
Daarom was van ieder stuk een lapje afgesneden, dit was op een dun kartonnetje geplakt en hierop werd verkocht.
Achter de winkel was een grote kamer even breed als de winkel en hiervan gescheiden door een schuifdeur. Hier stond een lange tafel met veel stoelen. Hier brachten de boerinnen zondags als ze naar de kerk gingen hun eieren, boter en andere kleine opbrengsten van de boerderij. Ze brachten hun manden voor de dienst begon en na kerktijd kwamen ze hier koffie drinken en meteen afrekenen.
Op weekse dagen brachten de boeren hun schapenvachten en ook dezen werden hier afgerekend en dikwijls werd er dan een glaasje jenever of brandewijn bij geschonken. Achter deze kamer was een grote ruimte, een soort schuur met lemen vloer. Hier werden de schapenvachten gewogen, gesorteerd en bewaard en de eieren en boter voor verzending gereedgemaakt.
Daarachter door een gang gescheiden waren de paardenstallen en stonden de koeien. Dit was het rechter gedeelte van het huis.
Links van de brede gang was vooraan de straat de secretarie van de burgemeester. Hier stond tegen de muur van de van de gang een kast met het gemeentelijk archief. Aan de wand tegenover de drie hoge brede ramen hingen geweren, dubbel en enkelloops jachtgeweren. Een extra zware brandkast stond in de hoek en erin werden de patronen, kruit en hulzen bewaard.
Want de burgemeester had de alleenverkoop van jachtartikelen voor zijn district. In deze kamer kwamen de leden van de raad bijeen, werden de vergaderingen gehouden, werden jongelui voor het huwelijk ingeschreven, pasgeboren kinderen aangegeven en het overlijden geregistreerd, zoals dat door Napoleon was voorgeschreven.
Door de deur tegenover de drie grote ramen kwam men in een kamer, die maar zeer zelden gebruikt werd.
Hier zag alles er keurig uit. Prachtige zware meubels, zeldzaam porselein en waardevolle schilderijen, waarvan de portretten van overleden voorouders de ereplaats innamen. Alleen zeldzaam voorkomend familiebezoek bracht leven in deze kamer.
Daarachter was de grote woonkamer. Twee ramen op het zuiden gaven uitzicht op de bloementuin.
Tussen deze ramen was een schouw, waaronder ’s winters een open haard brandde. In het midden stond een uittrektafel en veel stoelen stonden tegen de wanden. Hier was plaats voor de komende en gaande man. In deze kamer bracht de familie de meeste tijd door. Hier werd gegeten en gepraat. Hier rookten de mannen en sponnen de vrouwen de wollen garens.
Achter deze kamer was het pomphuis met een deur naar buiten. Een kamer was het feitelijk niet, maar meer een brede gang met een pomp naast de buitendeur. Vanaf deze gang kwam men in het lokaal waar iedere maandag de was werd behandeld. Hier stonden tobben er teilen aan de wand, maar ook was hier de plaats voor de melkemmers en de zeef. Ook werd in dit lokaal de melk tot boter gekarnd.
Hierachter waren stallen voor jongvee en varkens en was de bewaarplaats van kruiwagens, ploegen, eggen enz.
Het huis stond midden in het dorp op een driesprong van wegen met de voorgevel naar het oosten.
De bijbehorende tuin werd door een ijzeren hek omsloten. Achter deze siertuin was de moestuin en vervolgens de boomgaard. Langs deze beide tuinen liep een landweg die naar de weilanden en boomgaarden leidde. De grond was slecht en om er een behoorlijke opbrengst van te krijgen was zwaar bemesten een eerste vereiste.
Ondertussen was Hendrik van Duren bij het huis aangekomen, was de stoep opgelopen, de deur binnen gegaan en stond nu in de gang waar hij bleef wachten.
Hij was in een droefgeestige stemming. Zijn boerderijtje ging slecht en zijn buurman, waarbij, hij en zijn vrouw de afgelopen nacht hadden gewaakt, was gestorven. Hij stond daar en luisterde.
Ja, daar hoorde hij iemand komen. Hij nam zijn pet van het hoofd, toen hij de burgemeester zelf zag verschijnen. “Hé, van Buren, kom binnen, kom binnen”, en de burgemeester deed de deur open naar de secretarie.
“Hier moet je zeker zijn, is het niet, of soms hiernaast in de winkel?” Hendrik trad de kamer binnen, maar pas toen hem een stoel was aangeboden, deed hij zijn mond open en begon te spreken.
Intussen had ook de burgemeester een stoel genomen en ging regen over Hendrik aan tafel zitten, en wachtte af wat Hendrik zou vertellen.
“Men buurman, Anton Goldschmidt, de burgemeester zal hem wel kennen, was al lange tijd ziek, ziet U. Hij is altijd zo’n beste kerel geweest, werkelijk, meneer de burgemeester. Hij is altijd werkzaam geweest en zijn land zag er altijd het beste uit. Ook zijn vrouw is een flink wijf. Haar kinderen heeft ze goed opgevoed. Ze zijn hun kinderen altijd in eer en deugd voorgegaan”
De burgemeester begreep niet wat Van Duren met deze lofprijzing op zijn buurman bedoelde.
Hij kende Van Duren wel enigszins en meende dat hij alleen tot dolle streken in staat was. Daarom verraste dit ernstig gesprek hem zeer en was het voor hem een volkomen raadsel.
Daarom vroeg hij: “Maar van buren, wat bedoel je daar zoal mee. Ik weet wel, dat Anton altijd een flinke kerel was en zijn vrouw een goede huisvrouw. Is er soms wat met hen gebeurd?”
“Gebeurd is er niets; maar ziet U meneer de burgemeester, mijn vrouw en ik hebben, deze nacht bij hem gewaakt en toen is hij gestorven! “
Gelukkig, dacht de burgemeester; het is er gelukkig uit. Dus Anton Goldschmidt is vannacht gestorven. “En wou je daar nu aangifte van doen?”
“Ja, precies, meneer, juist wat u zegt, ik wou aangifte doen van het overlijden van mijn buurman! Dat moet tegenwoordig immers, anders krijg je last. Ik weet dat wel!, Het was anders zo in goeie kerel.”
“Ja zeker, het was een beste man; ” zeide de burgemeester en ging naar de grote kast haalde er een lijvig boek uit tevoorschijn.
“Jammer, dat hij dood is, wat was de doodsoorzaak? Van Duren?”
“Ja de doodsoorzaak, dus waaraan hij is doodgegaan? Hij had benauwdheid om het hart, hartkrampen noemen wij dat!” Terwijl Hendrik dat alles vertelde, kwam zijn luchtig karakter weer boven en lang verdween zijn droefgeestige stemming.
“Dus hij is gestorven aan een hartziekte. Weet je ook hoe oud hij was?”.
“Jazeker, meneer, hij was 51 jaar”
“Even nazien, 51 jaar, Anton Goldschmidt, gestorven 17 sept, leeftijd 51 jaar, doodsoorzaak, hartziekte. Ziezo, Hendrik, dat is in orde!”
Toen Hendrik nu nog geen aanstalten maakte om te vertrekken en alleen maar wat aan zijn pet zat te plukken, zeide de burgemeester: “En Hendrik, heb je soms nog wat bij te voegen of aan te merken?”
“Neen, meneer de burgemeester, dat juist niet, maar ik wilde meteen ook een kind aangeven.”
“Zo, zo,, wel gefeliciteerd, hoor, en wat is het geworden, een jongen of een meisje?”
“Neen, meneer, ziet U, het is geen jongen en het is geen meisje.”
“Geen jongen en ook geen meisje, hoe zit dat nu?”
“Ja, ziet U, meneer de burgemeester, het kindje zal vandaag of morgen wel geboren worden en omdat ik toch juist hier ben, dacht ik nu kan ik meteen wel even het kindje aangeven.”
De burgemeester wist nu werkelijk niet wat hiervan denken moest. Zou Hendrik hem gewoonweg voor de gek houden, of zou hij werkelijk zo onnozel zijn. Het was moeilijk te geloven, dat Hendrik met zijn droog, onbewogen gezicht in staat zou zijn hem te bedriegen. Hij werd daarom dan ook maar met boos, lachte eens even en beduidde Hendrik terug te komen, zodra het kindje geboren.
De burgemeester liet Hendrik uit, gaf hem een hand en zeide: “Van Duren, dan maar tot over een paar dagen”.
Het wagentje stond nog voor de deur. Hendrik stapte in, klakte eens met zijn tong en reed de weg op naar het zuiden. Hij moest in Beesten en Schapen bij de familie van Goldschmidt het overlijden bekendmaken.
Intussen borg burgemeester Friedrich Adolf Kloppenborg de boeken weer in de kast. Hij dacht er nog eens over na of Hendrik werkelijk zo onnozel was. Maar ach, wat kwam het eropaan. Met al de nieuwe wetten van de laatste jaren zullen er nog wel meer van die dubieuze aardigheden voorkomen. Zijn grootvader Herman Johan en ook Johan, zijn vader Johannes Anton hadden met die soesa nooit te maken gehad. Terwijl hij zo over zijn voorvaderen doordacht, gingen onbewust zijn schreden naar de tussenkamer, waar de portretten hingen van zijn ouders en grootouders. Links van de schoorsteen hingen de schilderingen van zijn ouders. Johannes Anton Kloppenborg en Anna Gesina Slömers.
Hij bleef er een ogenblikje naar kijken. Zij hadden zeker ook hun zorgen gehad maar toen was de tijd gunstiger geweest, Toen was het leven eenvoudiger. Toen bracht het land meer op dan nu. Waarom zou hij eigenlijk het land nog langer zelf laten bebouwen. De oogst was meestal schraal en bracht de kosten niet op.
Ook het vee bracht geen verdienste op. Slechte melkprijzen en geen afzetgebied voor boter en kaas. Het beste zou zijn het land voor een jaar of tien te verhuren, want, dat een van zijn jongens zin in de boerderij zou hebben, geloofde hij niet.
Johan Nicolaus de oudste had er nog wel enig idee voor. Hij mocht wel eens graag tussen de paarden en koeien zitten. Maar hij was nog veel te jong om zich in dat vak te bekwamen. Hij moest eerst maar eens een paar jaar naar Schapen. (Schapen, een klein plaatsje, een goed uur van Freren bezat een handelsschool.) Hier kon Johan Nicolaus een beetje algemene ontwikkeling opdoen en dat komt altijd van pas.
Herman Bernard kon je altijd in de winkel aantreffen, als dat soms een voorteken kon zijn, dan zou daar misschien wel een goede koopman uit kunnen groeien, en Johannes Antonius, dat kleine dikke kereltje met zijn buik vooruit had beslist aanleg om zijn opvolger te worden in de secretarie.
En als zijn dochter Anna dan nog eens goed trouwde, dan had hij zijn vier kinderen alle vier een goed bestaan voor hun leven meegegeven. Zo dacht de burgemeester terwijl hij de geschilderde portretten van zijn ouders bekeek. Rechts hingen de schilderijen van zijn schoonouders. Zijn schoonvader, Harm Bernard Holt, was in de gevangenis omgekomen. Dat had hij gehoord van een gevangenbewaarder, maar officieel bericht hadden ze nooit ontvangen.
Zijn schoonmoeder Anna Ida Aleid Holt was gevlucht, omdat haar zoon Jan Harm was ondergedoken en naar het noorden was gereisd, omdat hij geen soldaat wenste te worden van Napoleon. Nadat zijn moeder die nacht was vertrokken had niemand meer van haar gehoord, behalve haar nicht Suzanne. En dat was nu al een jaar of acht geleden.
Wie weet waar zijn schoonmoeder wel was terechtgekomen. En op die leeftijd? Zij had misschien beter gedaan in de buurt onder te duiken, maar zij wilde haar zoon achterna.
Misschien zijn ze beiden wel omgekomen honger en gebrek. Was hij niet in geweten verplicht er nog eens ernstig navraag naar te doen? Ja, maar hier in de wijde omtrek had hij reeds meerdere malen aan bekende en bevriende collega’s gevraagd. Ook zijn zwager, Nicolaus Holt, de pastoor van Schapen, had er ook al onderzoek naar laten doen bij de pastoors van het bisdom, maar alle navragen en onderzoekingen waren tot op heden zonder resultaat gebleven. Toch zou hij er nog eens over beginnen als hij binnenkort zijn broers of zwagers zou te spreken krijgen. Hij werd in zijn overpeinzing gestoord door een heldere vrouwenstem die hem riep om in de woonkamer te komen. Het was twaalf uur. Tijd voor het middagmaal.
Aan het hoofd van de tafel stond een zware stoel met hoge rugleuning en gedraaide poten. De burgemeester nam erin plaats en nadat zijn vrouw het eten had opgediend ging zij tegenover hem zitten.
Zo naar het uiterlijk te oordelen waren, deze twee mensen twee contrasten. Zij was ruim
veertig jaar maar in haar nog blozend van jeugdige gezondheid. Het haar nog gitzwart kwam speels onder haar oorijzer uit. Zij was groot van gestalte, en zat rechtop aan tafel. Zij bediende de kinderen en zorgde ervoor dat zij welgemanierd vork en mes hanteerden.
Hij daarentegen zag er oud uit. Hij was weliswaar ongeveer tien jaar ouder dan zijn vrouw, maar hij zag er zeker tien jaar ouder uit dan mij werkelijk was. Zijn haar was zeer vergrijsd, bij het wit af. Hij zat gebogen aan tafel en zag er zorgelijk uit.
Terwijl zijn vrouw en kinderen babbelden, mengde hij zich weinig in het gesprek, alleen dan wanneer het gepraat al te luidruchtig werd, deelde hij een waarschuwing uit en vermaande tot kalmte.
Na het eten ging de burgemeester graag een uurtje rusten. Hij zocht dan een gemakkelijke stoel uit en deed een dutje. Dat was hem enige jaren geleden door de dokter aangeraden.
Hij had dikwijls last van het hart, dat zich uitte in benauwdheid en korte adem. Hij mocht daarom dan ook geen zwaar lichamelijk werk verrichten en zich in geen geval opwinden. Ofschoon hij zich goed hield aan het voorschrift van de dokter herhaalden de hartaanvallen zich telkens met kortere tussenpozen. Zo leefde hij nog een paar jaar voort, terwijl hij ervan overtuigd was dat het einde spoedig voor hem zou komen. Angst voor de dood kwelde hem minder, dan de zorg voor zijn vrouw en zijn nog jonge kinderen.
Hij stierf in 1815 en liet zijn vrouw met vier kinderen achter, De oudste Johann was 17 jaar. Zijn dochter Anna was 13 jaar, Herman Bernard was elf jaar, en de jongste van de vier Johan Anton was 5 jaar.
Nu kwam er voor zijn vrouw een moeilijke tijd aan.
Haar broer, de Pastoor van Schapen steunde haar in alles, waar hij maar helpen kon. Maar toch kon hij niet beletten, dat de financiën ieder jaar slonken.
Zij zag zich gedwongen ieder jaar iets van haar bezit te gelde te maken. Eerst ging een deel van het vee de deur uit. Daarna volgde geleidelijk het weiland en bouwland. Ook ging de manufacturenzaak langzamerhand achteruit, want de weduwe moest alles aan personeel overlaten.
Het waren dan ook zeer moeilijke jaren en al heerste er dan ook al geen armoede, toch moest er op alles erg bezuinigd worden om het weinige, dat de familie nog bezat te behouden.
In deze zware tijd groeide Herman op. Een paar jaar was hij in Schapen op de Handelsschool geweest en was daarna thuis in de manufacturen terechtgekomen. Hier leerde hij het vak enigszins kennen, maar kwam al gauw tot het inzicht, dat hij daar in Freren weinig toekomst zou hebben.In het begin van de 19e eeuw gingen veel jongelui uit de omgeving van Freren waar ondernemingsgeest in zat hun geluk op andere plaatsen beproeven. Dit kwam vooral doordat het erfrecht de oudste zoon vrijwel alles erven liet. Daarom trokken veel jongelui naar Holland. Herman had veel vrienden en kennissen in Freren leren kennen, die er met stalen en lappen stof op uit trokken. Zo hoorde hij vele verhalen, die bij hem ook de lust tot dergelijke reizen deed ontwaken. Met goedvinden van zijn moeder reisde hij daarom met een partij stoffen en stalen collecties naar het Groningerland.
