Opgedragen aan mijn “bet-overgrootmoeder” Anna Ida Aleid Holt, gestorven op 5 Febr 1806.

Napoleon hield zijn veroveringstochten door geheel Europa. Vele landen had hij reeds veroverd. Andere staatshoofden, angstig voor de komende gebeurtenissen, probeerden met Napoleon tot een akkoord te komen.

Ook onder de bevolking van deze landen waren er wel te vinden, die niet tevreden waren met het regeerbeleid van hun eigen landsbestuur en sympathie voelden voor de Franse omwenteling. Ook waren er mensen die het nieuwe stelsel aanhingen in de hoop een goed baantje te krijgen, want in troebel water is het dikwijls goed vissen. Vrijheid, gelijkheid en broederschap klonk het overal. En onder deze leuze werden vele ambtenaren uit hun functie gezet, soms in de gevangenis gezet, ja, soms nog erger, vermoord.

Toch meende een groot deel van de bevolking dit alles te moeten trotseren en aan het oude te moeten vasthouden.

Zij waren de heimelijke vijanden van Napoleon. De illegale werkers. Zij leefden onder zeer moeilijke omstandigheden, want overal loerden de chasseurs om deze staatsvijanden in handen te krijgen en onschadelijk te maken.

Vooral was het moeilijk voor de ambtenaren die in overheidsdienst waren. Want voerden zij de besluiten en wetten niet correct uit, dan werd dit betiteld als rechtstreeks verzet.

In Holthausen, een klein plaatsje in Hannover, woonde in deze onrustige tijd de familie Holt.

De man was burgemeester. En als hoofd van de gemeente ontving hij de nieuwe verordeningen van de kring Munster, met opdracht deze ten uitvoer te brengen.

Het huis, waarin de burgemeester met zijn gezin woonde, was zeer groot en had meer weg van een grote boerderij dan van een moderne burgemeesterswoning, zoals wij die in onze tijd kennen. 

Want naast het ambt van hoofd van de gemeente was hij ook landbouwer en veehouder. In het voorgedeelte was een grote kamer waar de vergaderingen van de gemeente werden gehouden en deze deed ook dienst als er jonge paartjes in de echt moesten worden verbonden. Daarachter was een grote kamer, die men tegenwoordig salon zou noemen, want ze werd alleen bij bezoek en officiële gelegenheden gebruikt. Daarachter was een alkoof, waar het echtpaar Holt gewoon was te slapen. Daarachter was de woonkamer, dan een brede gang en dan volgde het voorhuis, de keuken met bijkeuken, waar achter de stallen. Tegenover deze vele kamers waren door een gang verbonden de slaapkamers. Het was dus wel een zeer groot huis, waar men zich gemakkelijk in kon verbergen. Een tijd geleden had de burgemeester opdracht gekregen een lijst op te maken van de jonge mannen in zijn gemeente, die in de leeftijd vielen om soldaat te worden.

Maar hij had de opdracht terzijde gelegd en dus met uitgevoerd met het gevolg dat hij op een ogenblik, dat hij niet meer aan de opdracht dacht, werd gevangengenomen. Nu zuchtte hij al maanden in de gevangenis in Munster, zonder dat hij verhoord was. Vanaf de dag dat zijn vader was weggevoerd leefde de zoon Jan Harm en met hem zijn moeder in voortdurende angst. Want ook Jan Harm viel in de loting en het was dus gevaarlijk voor hem thuis te blijven. Overal waren immers verklikkers en spionnen. Velen toch waren laag genoeg van karakter om een goede kennis ja zelfs een vriend aan te brengen om daar door een wit voetje te krijgen bij de nieuwe bezetting.was 

Gedurende de dag was Jan Harm meestal op het veld of in de bossen, maar keerde tegen de avond weer naar huis terug.

Op die manier bleef Jan lange tijd uit de handen van zijn vijanden, totdat op zekere herfstdag iemand hem waarschuwde, dat er gevaar dreigde. Deze man was van een naburig dorp gekomen en had gehoord, dat er geheime agenten bezig waren jonge mannen op te sporen. Jan Harm wist wat dat zeggen wilde. Hij maakte zich klaar om te vertrekken. Nam afscheid van zijn moeder en familie en vertrok, tegen de avond in alle stilte, het huis uit in de richting van het noorden. Zijn doel was om zo spoedig mogelijk de moerassen en veenstreken in het noorden te bereiken.

Daar woonden nog weinig mensen en zou hij allicht een veilige wijkplaats vinden. Het was een bewolkte hemel, van tijd tot tijd was even een halve maan zichtbaar. Dat was juist voldoende om hem weer de goede weg te wijzen.

Hij liep maar steeds in noordelijke richting, ontweek de boerenhoeven en ging met een grote omweg om de dorpen. Nadat hij enige uren zo gelopen had voelde hij zich moe worden. 

Daarom ging hij in een bos, zocht een dicht begroeide plek dennenbomen, wachtte daar de morgen af. 

Toen de zon doorbrak, voelde hij zich loom en stijf in de benen. De mist had zijn kleren vochtig gemaakt. Hij ging opstaan, zocht wat schoon water, at zijn boterham, dronk er een slokje thee bij, uit zijn fles die hij had meegebracht en keerde terug naar zijn dicht begroeid plekje dennenbomen terug.

Hij keek eens om zich heen, klom in een dennenboom, keek van uit de top de omgeving eens rond en was tevreden over zijn verblijfplaats. Hier kon hij de avond wel afwachten. Alleen op grote afstand zag hij woningen en de grote weg was zeker een paar kilometer ver weg. Veel kans om gezien te worden was hier dus niet. 

Nadat Jan Harm vertrokken was, zweefde er een angstige spanning door het grote huis van burgemeester Holt. Ieder ogenblik konden de chasseurs komen. Vooral de moeder was zenuwachtig, want gebeurde het niet dikwijls, dat, als de zoon onvindbaar bleek, de vader of de moeder of soms beiden maar werden meegenomen. En Jan Harm was onvindbaar. Dus zouden ze haar arresteren, want haar man was al lange tijd in hechtenis. Zo dacht de goede vrouw en hoe later het werd, hoe meer de angst haar het leven  moeilijk maakte. 

Eindelijk besloot ze toch maar naar bed te gaan. Het was veel later dan gewoonlijk. Ze kon de slaap niet te pakken krijgen. Telkens weer waren haar gedachten bij haar zoon Harm Jan. Nu zou hij wel in het donker voortsluipen. Zij zag hem steeds met de handen vooruit, alsof hij de weg zocht. Zij wist, dat hij naar het noorden zou gaan. Hoe ver zou hij nu wel zijn? Zou hij naar haar nicht Suzanne gaan? Misschien zou hij dat te gevaarlijk vinden; Suzanne zelf en haar familie was wel te vertrouwen. Maar van haar omgeving wist ze niets af. ’t Was misschien wel beter niet naar Suzanne te gaan. Als het weer nu maar gunstig bleef en hij voor de kou over de grens was.

In Holland was het niet zo gevaarlijk. Hij kon zich daar bij de veengravers beter verbergen dan hier. Ieder in de omtrek kende hem als de zoon van de burgemeester.

Dan weer had zij er spijt van, dat hij was gevlucht. Hij had zich hier in het grote huis immers ook wel heel goed kunnen verbergen. Maar als hij gepakt werd, dan…

En weer zag ze Jan Harm afscheid nemen, een hartroerend afscheid. Hij kon haast niet weggaan. Steeds kwam hij weer terug. Dan weer zag ze hem voort strompelen over de hobbelige landwegen, met de armen vooruit als een blinde man.

Zij draaide zich om en praatte tegen haar man.

Zij schrok weer volkomen wakker.

Haar man. Hoe lang was hij nu al in de gevangenis? Een keer had ze hem bezocht en met hem mogen praten. Maar dat was geen praten, zo door de tralies met een bewaker erbij. Wat kun je dan zeggen? Het wende wel een beetje, nu hij weg was, maar geen ogenblik was hij uit haar gedachten.

Hoe lang zou dat nog moeten duren? Zij zag hem daar weer zitten op zijn houten brits in zijn gestreepte boevenpak. Hoe is het toch mogelijk dat men mijn man zoiets kan aandoen. Hij had gevraagd goed voor de kinderen te zorgen. Tot nu toe was dat goed gegaan, maar zou het worden als zij ook eens moest vluchten, als ze alles moest achterlaten. De kinderen waren allen al groot genoeg om voor zichzelf te zorgen, maar de band zou dan toch verbroken worden, als zij er niet meer was.

Wat zou er van haar zelf terecht komen, als zij opgepakt zou worden.

Harm Jan kon op vreemde bodem met zijn handen de kost verdienen, zolang als dat nodig was, maar zij. Wat kon zij op haar leeftijd nog voor werk verrichten.

Maar daar kon ze niet lang over nadenken. Misschien dat de tijden ook gauw gingen veranderen en kon ze spoedig terugkeren, zo piekerde ze de hele nacht, totdat ze eindelijk in een lichte slaap viel. 

Dit was echter maar van korte duur. Plotseling sloeg Hector aan.

Het ware gebas wekte haar uit haar sluimering.

Direct daarop viel de zware klapper op de voordeur gevolgd door een trommelen op de deur en de ruiten.

Terwijl ze verschrikt opstond en de nodige kleren aantrok, had Dina, de dienstbode, de voordeur al geopend.

Twee gewapende mannen traden binnen, liepen de brede gang in en vroegen aan Dina om de slaapkamer van Jan Harm te wijzen. In haar verbouwereerdheid en eerste vrees ging ze de mannen voor en deed de deur van zijn slaapkamer open. Maar toen ze deze leeg vonden, vroegen ze op bevelende toon te zeggen waar Jan nu was.

Zij antwoordde, dat hij al lange tijd niet meer in het huis was. Toen dwongen ze haar alle kamers te openen om ze te doorzoeken. Vervolgens gingen ze naar de stallen en schuren, trokken alles omver, waar ze dachten dat iemand verborgen zou kunnen zijn. Maar ook hier vonden ze de gezochte niet. Nu gingen ze weer naar het voorhuis en gingen daar de trap op naar de zolders, om daar te zoeken en eventueel mee te nemen wat van hun gading was. Intussen drong het tot de moeder door in welk gevaar ze verkeerde, want als ze terugkwamen en haar zouden vinden, was haar lot beslist en zou ze in arrest worden gesteld. Nu was het tijd om te vluchten, nu was de kans het gunstigst, want de chasseurs zochten de zolders af.

Ze was nu kalm en volkomen meester over haar zenuwen. Ze keek nog even naar de portretten van haar man en haar priesterzoon Nicolaas. Even welden de tranen haar naar de ogen, maar  ze beheerste zich.

Ze nam haar leren reiskoffer, ging ongezien de gang door en verliet het huis langs de stallen door de achterdeur.

De hond kwam kwispelstaartend naar haar toe. De streek het trouwe dier over de kop.

Een gedachte kwam in haar op; ze kon de hond wel meenemen. Dat was allicht wat veiliger. Want als er eens gevaar dreigde?

Hoe zou zij zich verdedigen? Daarom kriebelde ze de hond nog eens in de hals en daarmee ging de hond mee. Ze liepen eerst door de appelhof, daarna door de moestuin en kwamen zo op een landweg langs een bos.

Als de halve maan even langs de wolken gluurde, keek ze om, maar ze zag al gauw dat ze niet gevolgd werd.

Toen werd ze wat minder gehaast.

Terwijl ze verder ging dacht ze na over het wrede lot, dat naar en haar gezin trof. Zeker, ze mocht ook nu niet morren, want had Onze Lieve Heer haar niet gezegend vele jaren lang. 

Een blijde jeugd had zij gehad.

Daarna was ze gelukkig getrouwd met haar man Harm.

Drie jongens en zes meisjes hadden ze gehad. Twee meisjes waren gestorven, toen ze nog kinderen waren, en die waren nu zeker al engeltjes in de hemel.

De andere vier meisjes waren allen gelukkig getrouwd. Ook haar zoon Gert was getrouwd terwijl Nicolaas priester van het bisdom was. Deze kinderen waren dus allen goed verzorgd. Alleen over Jan Harm had ze veel zorg.

Zou hij nog bij haar nicht Suzanne zijn geweest? Ik zal daar tenminste even vragen. Jan Harm is nu 26 jaar. Hij is flink groot en zal zich overal wel onderdak en kost weten te verschaffen.

Hij kan ook werken en zoals zijn voornemen is, zal hij bij de turfgravers werk zoeken. Bij die gedachte drong het tot haar door dat zij al 65 jaar was en zij dus niet meer in staat zou zijn in haar eigen onderhoud te voorzien. Maar misschien zou zij Jan Harm wel treffen en dan zouden ze samen er wel doorheen komen. Maar als ze hem niet vond en haar tas met levensmiddelen en geld zou eens leeg raken.

Nu, ja, ze had voldoende geld bij zich, zij zou het een lange tijd kunnen volhouden. En misschien kwamen er ook wel gauw weer andere tijden. Plotseling bemerkte zij, dat het al licht begon te worden. In de verte zag ze in de schemering vaag een dorpje liggen. Naar gelang zij het dorp meer naderde en het licht sterker werd, tekenden de gebouwen meer af. Nu zag ze duidelijk de kerk, waarvan de toren boven de andere huizen uitstak. Ze begon de vermoeidheid te voelen, maar het zien van het dorpje gaf haar weer nieuwe sterkte en ze probeerde wat vlugger te lopen. Toen ze het dorp genaderd was, zocht ze het kerkje en trad er binnen. Het was nu bijna zeven uur.

Er waren op dat vroege uur slechts enkelen in de kerk. 

Hector lag buiten op zijn bazin te wachten. Nu eerst voelde ze voor goed hoe moe ze was. Ze had zeker meer dan twee uur aan een stuk doorgelopen.

Stil zat ze in een van de achterste banken. Tegen haar gewoonte in bleef ze gedurende de hele mis zitten in plaats van te knielen.

Ook na de mis bleef ze zitten. Ze was eerst te moe om te bidden, nu echter bad zij. 

Zij bad voor haar man, dat hij toch spoedig de gevangenis mocht verlaten en als eervol burger mocht terugkeren.

Voor haar kinderen en vooral voor Jan Harm. Dat zij hem toch maar mocht ontmoeten en hij overal onderdak en eten mocht vinden en toch vooral aan de klauwen van de vijand mocht ontsnappen en het leven als vluchteling hem niet te zwaar zou vallen.

Toen bad ze voor zichzelf. Zij bad om sterkte in deze nood. Sterkte ook voor haar oud en afgetobd lichaam. Sterkte om de reis toch maar tot een goed einde te mogen brengen. En ze bad om sterkte en kracht tegen de beproevingen, die haar nog te wachten stonden. H. Maria, Troosteres der bedrukten, bid voor mij. Zo bad ze en weer uitgerust van de vermoeidheid stond ze op en verliet de kerk. Hector kwam haar tegemoet en wilde zijn voorpoten tegen haar opzetten, maar ze weerde hem af. “Straks krijg jij je boterham, maar eerst gaan we nog een eindje lopen”.

Zo trokken ze weer naar de grote weg, die naar het noorden leidt.

Nog een uur of vier en ze zou bij haar nicht Susanne zijn. Als haar voeten het goed deden, zou ze daar zeker vandaag aankomen.

Het was een frisse morgen. Langzaam kwam de zon op. De druppeltjes dauw, die aan de dennentakken hingen, glinsterden als kristal. Ze genoot van de morgenwandeling. Soms vloog een merel kwetterend door de lanen, dan weer zong een winterkoninkje zijn late lied. Overal was leven en afwisseling, overal zang en vrolijkheid. Toen ze zo een uurtje gelopen had, begon ze trek te krijgen in een boterham. Ze zocht een geschikt plekje, ging zitten, nam een boterham en gaf Hector zijn deel. Toen ze de boterham had opgegeten, voelde ze zich weer krachtig en vol moed ging ze weer op stap.

Telkens als ze een uurtje gelopen had, rustte ze een lange tijd uit en tegen de middag ging ze op een beschut plekje zitten, koesterde zich in de zon en deed zoals ze dat gewoon was ongewild een dutje. Hector hield de wacht. 

Toen ze wakker werd, schrok ze even, want de zon had intussen een groot stuk van haar baan afgelegd. Vlug nam ze haar reistas en vervolgde haar reis.

Na een uurtje zag ze reeds in de verte het plaatsje Werlte liggen.

Hier was ze meerdere keren geweest, want hier was haar nicht Suzanne huishoudster bij de notaris van die streek geweest. De notaris was een man op leeftijd. Hij hield er niet van gestoord te worden. Was zeer voorzichtig in zijn doen en laten en had graag vrede met allen. Hij liet zich niet in met de politieke aangelegenheden van die tijd, maar voelde zich bijzonder goed thuis in zijn studeerkamer. Waar men hem om zo te zeggen vrijwel altijd kon aantreffen. 

Bij deze notaris was Suzanne de huishoudster. Zij had zich in de jaren dat zij deze betrekking waarnam, volkomen aangepast aan de eigenaardigheden van de notaris. 

Ook zij was voorzichtig geworden in haar doen en laten. Liet zich nooit uit over haar politieke gezindheid en sloot zich het liefst op in haar domein, waarvan de keuken het middelpunt vormde.

Anna Holt had onderweg in een herberg haar maaltijd genomen, voordat ze bij de notaris zou aankomen. Toen Suzanne haar nicht op de stoep van de deur zag staan, was ze zeer verheugd haar te zien.

Ze nodigde haar hartelijk binnen te komen en deed direct alle moeite om het haar zo aangenaam mogelijk te maken. Zette direct verse koffie en maakte lekkere boterhammen klaar.

En Anna voelde zich juist als vroeger direct thuis bij haar nicht.

Toen ze samen aan tafel bij een kopje koffie zaten vroeg Suzanne waarom ze zo alleen en in de herfst op reis was gegaan. Toen vertelde Anna, wat haar de laatste dagen zoal overkomen was.

Dat haar man al maandenlang in arrest zat en Jan Harm voor enige dagen was gevlucht. En ook, dat zij zich thuis niet meer veilig had gevoeld en daarom was weg gereisd.

Nu vroeg ze aan Suzanne of ze Jan Harm ook gezien had, of dat hij soms hier bericht had laten brengen.

Neen, Jan Harm was er niet geweest. En dat was maar goed ook, want de notaris zou hem zeker niet in huis willen hebben. De notaris was een beste man, maar daar hield hij zich beslist niet mee op. Anna trof het, dat hij nu niet thuis was.

Straks tegen zes zou hij weer thuiskomen. Ja, dan moest Anna toch maar zorgen dat ze weg was. Want als de notaris zou merken dat zij een vluchtelinge was, dan kon zij zelf ook wel eens onaangename woorden van de notaris te horen kunnen krijgen en daar bedankte Suzanne hartelijk voor.

Anna moest haar goed begrijpen. Ze wilde niet onaangenaam zijn, maar… hé… Maar, als de tijden later beter werden, kon ze gerust terugkomen.

Anna voelde zich grof beledigd. Was dat nu die lieve nicht, waarmee ze zoveel lief en leed had gedeeld, toen ze samen op dezelfde kostschool waren? En toen ze jongedames waren geworden, hadden ze voor elkaar geen geheimen gehad. Ze waren altijd de beste vriendinnen gebleven en nu, nu werd ze fatsoenlijk de deur uitgezet.

Maar wat kon ze er tegen doen. Het beste was, maar direct te vertrekken. Want hulp van de notaris was niet te verwachten.

Het was de eerste teleurstelling, die ze op haar vlucht ondervond. En deze slag kwam des te erger aan, omdat het leed haar door haar eigen familie en beste vriendin werd aangedaan.

Zij had ook geen middelen om zich te wreken. Wat kon ze doen? Niets!

Er was voor haar slechts een uitweg en dat was vertrekken! Zonder haar nicht nog een blik waardig te keuren ging ze de kamer uit, de gang door en vertrok.

Het was intussen laat geworden. Ze wilde graag onderdak hebben gedurende de nacht en daarom zocht ze een herberg op.

Ze ging vroeg naar bed in de hoop spoedig in slaap te vallen, want ze was moe. Maar toen ze te bed lag in een vreemde omgeving kwam weer de onprettige ontmoeting met haar nicht in haar gedachten op. 

Dat was haar aangedaan door haar beste vriendin. Hoe zouden straks anderen, vreemden, haar behandelen? Zo lang ze geld had zou dat wel gaan maar daarna. Het was een wrede ontgoocheling. Ook was Jan niet bij Susanne geweest.

Het werd nu moeilijker om hem te treffen. Nu wist ze alleen, dat hij naar het noorden zou gaan en door naar het Westen, naar Holland, naar de veenstreken.

Hoe langer zij erover nadacht, des te zwarter werden de wolken die haar beletten in de toekomst te zien.

En naargelang haar toekomst haar vager voorkwam, des te meer kwam de slaap over haar.

Zo sliep ze in.

De volgende morgen werd ze laat wakker. Toen ze op stap ging, nam ze zich voor zo veel mogelijk de mensen te ontwijken. Zo vertrok ze uit Werlte de weg op naar Lathen.

Vanaf Lathen volgde ze de rivier de Eems, ging voorbij Sustrum, Ahlen, Dersum en Heede. In Heede bleef ze langer dan ze oorspronkelijk van plan was.

Het weer werd steeds slechter, eerst regen en wind, daarna volgden sneeuwjachten. Ook voelde ze zich vermoeid en koortsig.

Het slechte weer duurde tot eind november. Toen werd de lucht helder en trad de vorst in. Overdag was het wel wat koud, maar toch mooi genoeg om verder te trekken. Begin december 1805 vertrok ze uit Heede in westelijke richting over de grote weg naar Bourtange. Bourtange was van oudsher een vesting en daarom trok ze langs omwegen eromheen om over de grote weg Vlagtwedde te bereiken. Nu was ze in Holland en voelde zich wat veiliger.

Nu moest ze de veenstreken zien te bereiken, want dat was het doel van Jan Harm geweest en daar zou ze dan moeten zoeken en vragen.

“Zeg, Dina, wie is toch die oude vrouw, die hier zo nu en dan brood komt kopen. Ze heeft steeds een hond bij zich!”

“Ja, wie zou het zijn, ze spreekt wat plat Duits mij dunkt, dat ze bij ons uit de buurt komt.” Dat was het antwoord, dat zijn vrouw gaf aan Jan Remkes, de bakker, die bij de Borgercompagniesterbrug te Sappemeer een bakkerij had. Remkes ging in de bakkerij. Het gezicht van het oude vrouwtje wilde maar niet uit zijn gedachten. Naar haar kleren te beoordelen was te een welgestelde vrouw, maar in haar gezicht was ze erg vervallen en verschrompeld. Het lopen viel haar moeilijk, haar hoofd viel op haar borst. Schijnbaar had ze pijn in de zij, want ze hield haar rechterhand steeds in de zijde gedrukt. 

Hoe meer Remkes over het vrouwtje nadacht, des te groter werd zijn verlangen om meer van haar aan de weet te komen. 

Zo vroeg hij aan zijn knecht, of die het vrouwtje soms kende en hij vernam, dat ze op de Achterweg woonde in een kamertje bij de stoelenmaker van Hal.

Zij was dus bij katholieke mensen onder dak. Wat zou dat mensje toch bewogen hebben naar hier te komen, uit naar kleding kon men wel zien, dat ze betere tijden had gekend. Daar stak zeker een of ander geheimzinnigheid achter. Hij piekerde er over wat dat wel kon zijn. Misschien was ze gevlucht om een of andere reden, maar zekerheid kon hij niet krijgen. Hij nam zich daarom voor om bij van Hal eens te informeren zodra hij daar gelegenheid voor had.

Het was Zondagmorgen. Remkes was armmeester en ging met het kerkezakje rond. Hij keek goed uit, vooral achter in de kerk of hij soms ook het oude vrouwtje zou ontdekken. Maar hij zag haar niet.

Ook in de Hoogmis had zijn vrouw haar niet gezien. Zij moest dus ziek zijn, anders was ze zeker wel in de kerk geweest. Nu het vrouwtje vermoedelijk ziek was, kon hij als armmeester haar wel eens gaan opzoeken.

Maar, arm was ze toch ook weer eigenlijk niet, zo zag ze er tenminste niet uit. Hij peinsde er eens over hoe hij het moest aanleggen om onbewust zijn nieuwsgierigheid te bevredigen. Hij vond een prachtige oplossing.

Hij zou er na het hof even met de Pastoor over spreken, en die zou wel zeggen, ga er zelf maar eerst even neen, dan kom ik wel een paar dagen later. Maar Remkes wachtte niet tot na het lof maar ging tegen ruim drie uur naar de Pastoor. Nadat Remkes het doel van zijn bezoek had verteld werd ook de Pastoor ambtshalve natuurlijk, nieuwsgierig. Ook mij had haar weleens in de kerk opgemerkt en nu ze vermoedelijk ziek was, was dit een mooie gelegenheid eens kennis met haar te maken.  Straks na net hof zou hij er even heen gaan.

En als er hulp nodig zou zijn, kan de Pastoor Remkes wel waarschuwen. En daarmee ging Remkes naar huis.

De Pastoor vond het vrouwtje op een kermisbed in de werkplaats van Van Hal. Eerst had ze een kamertje op zolder gehad maar omdat ze de laatste dagen de ladder niet meer kon opkomen, hadden ze haar beddengoed maar in de stoelenmakerij gezet. Van Hal verdiende met het stoelen maken maar een mager stukje brood.

Het zag er dan ook zeer armoedig uit.

Daarom kwam het kostgeld, dat de vrouw kon betalen hem goed te pas. De pastoor zag al spoedig dat het vrouwtje ernstig ziek was. Het kwam hem voor dat zij veel last had van haar ingewanden. Het weinige eten dat ze tot zich neemt, komt direct weer uit.

De koude, de vermoeienissen en het ongeregelde leven van de laatste maanden waren haar gestel niet ten goede gekomen. De pastoor dacht, als ze soms wat soep of andere slappe kost kreeg, dat de maag dan wel weer op streek zou komen. Daarom beloofde de Pastoor haar, dat hij voor wat lekkere soep zou zorgen. Hij bemoedigde haar, dat ze nog wel weer zou opknappen en beloofde spoedig terug te komen. Toen hij wilde vertrekken, wenkte de zieke dat hij nog even terug zou komen en toen vroeg zij, of de Pastoor moeite kon doen om haar zoon Jan Harm te vinden. Nu vertelde zij waarom zij naar Holland was gekomen. Hoe zij door de chasseurs van huis was weggejaagd. Hoe ze door haar nicht Suzanna was beledigd en hoe ze eindelijk na zoveel mogelijk de mensen te hebben ontweken, hierbij van Hal was opgenomen. Zij prees de goede bedoeling van deze mensen, maar ook zij waren niet in staat geweest zachtere voeding voor haar te koken.

Zij had daar trouwens nooit op aangedrongen, want ze wilde die goede mensen, geen overlast aandoen. Zij was tevreden en als God het wilde, was ze bereid te gaan hemelen.

De Pastoor echter was van mening, dat het nog wel niet zo ver zou zijn en ze eerst maar eens moest proberen een beetje soep te eten, die straks wel gebracht zou worden. Toen de Pastoor vertrok beloofde hij nog een dokter te laten kijken.

Terwijl de Pastoor naar zijn Pastorie terugkeerde, ging hij even bij bakker Remkes aan. Hij vertelde, dat de vrouw ernstig aan de ingewanden leed en of zijn vrouw, een lekker soepje, liefst kippensoep zou wille maken. Want dit was wel het enige wat de zieke zou kunnen eten.

Vrouw Remkes begon direct en de volgende morgen kon ze haar kippensoep al naar de zieke brengen. De bakkersvrouw had gedacht een ogenblikje gezellig met een landgenote te kunnen babbelen maar dat viel haar erg tegen. De zieke lag als versuft op haar kermisbed. Ze keek even op, gaf vrouw Remkes een hand knikte een weinig met net hoofs en verviel daarna weer in een half wakende half slapende toestand.

Vrouw van Hal stond erbij en vertelde, dat ze de hele nacht gekreund had en ze nu wel erg afgemat moest zijn, Zodra de zieke wat beter zou zijn, zou ze de soep warm maken en proberen haar te geven. Daarna vertrok vrouw Remkes.

Intussen verergerde de ziekte. Toen de dokter kwam, was de toestand zo ernstig, dat stervensgevaar niet was uitgesloten en daarom werd de Pastoor gewaarschuwd.

Voordat de Pastoor met Ons Heer kwam had vrouw Remkes het kamertje wat opgeknapt. De vloer was geveegd en nieuw witzand was gestrooid.

Een tafel was uit de woonkamer gehaald en in het midden van de ziekenkamer geplaatst. Een witte linnen doek was over de tafel gelegd en op de tafel in het midden een kruisbeeld en aan beide kanten daarvan kandelaars met kaarsen. Hierachter had vrouw Remkes nog een paar geraniums geplaatst. Ze bloeiden wel niet maar dit waren haar enige bloemen, die einde januari nog groen waren. Toen alles klaar was, keek vrouw Remkes voldaan.

“Zo is het goed” dacht ze. De zieke had alle voor bereidingen gevolgd, knikte vrouw Remkes toe en gaf haar een hand ten teken, dat ze haar dankbaar was. Toen hoorde vrouw Remkes de Pastoor komen. Daarna stak ze de kaarsen aan en trok zich bescheiden terug.

Zondag zat bakker Remkes in de vroegmis. Hij had al gehoord dat de zieke was gestorven, maar hij wist nog maar niet hoe haar naam was. 

Hij luisterde dan ook scherp toe, toen de Pastoor na het voorlezen van de gewone diensten zeide:

“Er wordt een gebed verzocht voor Anna Ida Aleid Holt, geboren Holt, die na voorzien te zijn van de laatste H. sacramenten in de Heer is overleden. De uitvaart zal worden gehouden dinsdag om 8 uur!”

Op 5 februari 1806 was ze gestorven en dinsdag daarop volgende werd ze begraven op het R.K. Kerkhof te Sappemeer. Remkes had de begrafenis verzorgd in zijn kwaliteit van armmeester. Hij volgde de baar en was met zijn vrouw, de enige die de overlevende de laatste eer bewees.

Zo vond de vreemde vluchtelinge haar laatste rustplaats in een vreemd land ver van haar familie, van haar man en kinderen. Maar haar ziel was bij God en smaakte de hemelse genietingen, die beloofd zijn aan diegenen, die versmadingen hebben verdragen om de gerechtigheid.

Ik heb gemeend onze stammoeder het best te kunnen eren, door haar op deze wijze in onze familie meer bekendheid te geven. Misschien wil Anna, Ida, Aleid Holt in de schone hemel, ons aller vaderland ook eens aan mij denken haar zoveelste nakomeling want,

Harm Berend Holt  X Anna Ida Aleid Holt.

Friedrich Adolf Kloppenborg X Susanne Marq. M. Chr. Holt.

Herman Bernard Kloppenborg X Gesina ten Horn.

Nicolaus Kloppenborg X Christine Remkes.

Bernard H. F. Kloppenborg X Cath. Maria Dito. 

Alzo is Anna Ida Aleid. Holt de bet-bet-overgrootmoeder van mijn kinderen.

Bij onderzoek is mij gebleken, dat er in Sappemeer-Oost aan de weg en het kanaal, dat van Sappemeer naar Zuidbroek loopt, vroeger een kerkhof is geweest . De ingang moet ongeveer geweest zijn, waar nu de manufactuurzaak is van de firma Mulder.

In de stamboom van de familie Holt vond ik:

Anna, Ida, Aleid Holt. + 5 Febr. 1806 in “het kleine Meer”, und auf dem geweihten Kirchhofe in „Sapr meer” Groningerland begraben, war, einer Überlieferung zufolge vor der Strenge Napoleons I geflüchtet, welche Sie treffen sollte, weil ihr Sohn Jan, Harm zich dem Soldatenstande unter denselben durch die Flucht entzogen hatte“

Bovenstaande mededeling is voor mij aanleiding geweest om rondom de figuur van Anna Ida Aleid Holt dit verhaal te fantaseren.

Mocht mijn fantasie soms wat uitgebeeld hebben, dat geheel bezijden de waarheid legt, dan vraag ik excuus. Van haar zoon Jan, Harm, die van plan was naar de Groninger veenstreken te vertrekken is nooit meer gehoord. In de stamboom van de familie Holt komt de datum van zijn overlijden niet voor. Hij werd geboren 27 januari 1779.

Verder worden bij hem twee plaatsnamen genoemd, n.l. Keeve – Ostwie. Vermoedelijk zal hij wel de eerste onderduiker in onze familie geweest zijn.

Scroll naar boven