Napoleon was verslagen

Maar de rust was nog lang niet weergekeerd. Ook in Nederland waren de wegen nog zeer onveilig en ontslagen soldaten hadden zich tot benden verenigd en leefden van plundering en inbraken. Ook in het noorden en dus ook in de veenkoloniën kwam het meermalen voor dat alleenstaande boerderijen werden leeggeplunderd of afgebrand. Het was een zenuwachtige tijd.

De bevolking ook in de dorpen werd angstig als de duisternis inviel en sloot angstvallig alle deuren en ramen. 

Degene, die het enigszins kon betalen liet aan de binnenkant van de ramen, houten deuren maken ter meerdere beveiliging. In deze deuren was ter hoogte van een mans oog een hartvormig kijkgat gemaakt. Deze deuren, die meestal als een harmonica werkten, werden “blinden” genoemd.

Voor de zakenlui en ambachtslieden was er weinig te verdienen. Een slechte tijd was aangebroken, zodat er armoede voor de deur stond.

Ook voor de bakkerij van Jan Remkes kwam een moeilijke tijd aan. Het roggebrood in de omgeving rondbrengen met paard en wagen was ondoenlijk geworden. Want als men zo’n bende in handen viel, was men alles kwijt. In die tijd groeide Nicolaas Remkes op en kwam als hulp bij zijn vader in de bakkerij. Naarmate hij ouder werd, bekwaamde hij zich steeds meer in het bakken.

Langzamerhand werden de plundertochten zeldzamer. Geleidelijk waren de bendes kleiner geworden en eindelijk geheel opgelost. Een gedeelte was naar hun eigen vaderland teruggekeerd en het andere gedeelte had zich onder de burgerbevolking vermengd, en verdiende zo zijn brood. Zo was van lieverlee de rust teruggekeerd, maar de welvaart was nog ver te zoeken. Wel trachtte Nicolaas door het leveren van prima roggebrood de verloren klanten terug te krijgen maar door de armoede en de slechte toestand van de boerenbevolking beschikten weinigen over geld om ruim brood te kunnen kopen. In die tijd kwam Nicolaas meermalen in Kelten om zijn familie op te zoeken. 

Hij had een vrolijke jongen kunnen zijn als de slechte tijdsomstandigheden daar geen domper opgezet hadden. Het gevolg was, dat hij in de dagelijkse omgang voor een stille jongeman werd versleten. Maar als hij soms eens in vrolijk gezelschap van jonge mensen geraakte, kon hij best meedoen. Vooral met de jongedames kon hij goed opschieten. Vooral die meisjes, die meer uitzagen naar een degelijke jongeman dan belust waren op een vrolijk avondje, zagen in Nicolaas de man naar hun hart.

Daarbij kwam, dat het vreemde, het buitenlandse altijd meer trekt, dan het gewone, het eigene. En ook die eigenschap was in Nicolaas aanwezig. Het valt dus niet te verwonderen, dat hij grote keuze in meisjes had.

Het duurde dan ook al niet lang of Nicolaas had zich een vast meisje uitgezocht. Het meisje heette Gezina Korte. Hij had haar het eerst ontmoet bij de familie Oswald, een vroegere vriend van zijn vader.

En van ontmoeten was kennismaken gekomen. Zo was er vriendschap ontstaan tussen deze twee jonge harten. En langzamerhand was de vriendschap omgezet in liefde.

Zij was een zeer levenslustig meisje. Men zou haast geneigd zijn juist het tegenovergestelde van Nicolaas, die in de dagelijkse omgang maar over weinig woorden beschikte. Ze was eerder groot, dan middelmatig te noemen en haar haar, dat steeds onder het oorijzer was verborgen, had een roodbruine glans.

Het was een bekoorlijke verschijning, misschien iets grof in haar gelaatstrekken, maar wat ze te kort kwam dan schoonheid, werd ruimschoots vergoed door haar vriendelijkheid en levenslust. Het is dan ook geenszins te verwonderen, dat juist het levendige in Gezina, zoveel aantrekkingskracht op de stille Nicolaas uitoefende. Want dikwijls ziet men in het huwelijk, dat juist twee contrasten elkaar zoeken en een gelukkig leven leiden. 

Het duurde dan ook niet al te lang of Nicolaas haalde Gezina naar Sappemeer. Hij bleef in de bakkerij van zijn vader werken totdat er een goede gelegenheid kwam om zich als zelfstandig bakker te vestigen. Juist in die tijd, dat ze zelf een bakkerij gingen beheren, werd hun eerste zoon geboren, die naar zijn vader “Jan” werd genoemd.

Zijn ouders waren heer met hem ingenomen en ook zijn grootvader was zeer trots op zijn kleinzoon.

De grootvader liet bijna geen dag voorbijgaan zonder dat hij even naar de kleine Jan kwam kijken. Als baby onderscheidde hij zich in het geheel niet van zijn standgenoten.

Als hij honger had, schreeuwde hij; als hij voldoende had en er schoon bij lag, sliep hij en ging het hem bijzonder naar de zin, dan liet hij leuke geluidjes horen en trok gezichten die zijn moeder voor lachjes hield. Zonder veel moeilijkheden kwam hij door de eerste kinderjaren heen.

Hij werd vijf jaar en ging zoals alle kinderen van zijn leeftijd in zijn buurt naar school. Ook hier ging de tijd voorbij zonder dat zich bijzonder knallende gebeurtenissen voordeden. Hij ging omdat schoolgaan nu eenmaal een noodzakelijk kwaad voor hem was, maar was de schooltijd voorbij, dan leefde hij voor zichzelf. Dan was hij bezig met zijn liefhebberij. Zo had hij elk jaar een klein tuintje. Daar zaaide hij in het voorjaar zijn asters, viooltjes en duizendschonen. Daarna wiedde hij en verplantte de zaailingen en naargelang hij ouder werd, werden ook de bloemen mooier en moeilijker op te kweken. Zo ruilde hij al spoedig stekken van geraniums, fuchsia’s enz. met zijn vriendjes voor andere stekken en bijzondere zaden.

Ook was hij een liefhebber van dieren. Hij verzorgde zijn konijnen en duiven. Terwijl hij meestal van een hond werd vergezeld. In zijn vrije tijd en vakantie ging hij graag vissen. 

Als hij succes had met zijn bloemen of planten of bij het vissen, dan mocht hij daar graag over praten en hoorde zich graag prijzen. Toen hij van de school ging was voor hem de tijd aangebroken om een vak te kiezen. Maar Jantje sprak zich niet uit, wat hij eigenlijk wel wilde worden. Het leventje van vakantie houden beviel hem goed. Maar zijn vader werd die besluiteloosheid, en geslenter langs de weg eindelijk zat en liet hem daarom wat boodschappen doen en lichte werkzaamheden in de bakkerij doen.

Maar Jan voelde daar weinig voor, deed veel te lang over de boodschappen en probeerde steeds onder ogen van zijn vader weg te blijven om zoveel mogelijk aan zijn liefhebberijtjes te voldoen.

Eindelijk begon dat gelanterfanter van Jan aan zijn vader te vervelen en daarom nam hij radicale middelen. In het vervolg haalde hij hem ’s nachts als het brood gekeerd moest worden, het bed uit. Toen dit een paar nachten gebeurd was, verzette Jan zich heftig tegen zijn vader. Hij wilde geen bakker worden. Was me dat een vak, waarbij je ‘s nachts moest werken en overdag het brood moest rondbrengen.

Maar zijn vader stoorde zich niet aan de onwil van zijn zoon. Jan, zou en moest bakker worden, en daarmee uit. Het ging toch niet op, dat een jongen van 14 jaar, maar kon doen en laten wat hij wilde.

Neen, Jan, zou en moest zijn opvolger worden in de bakkerij. 

Het was immers een goede bakkerij waar hij zelf een behoorlijk stuk brood in verdiende en ook zijn vader had als broodbakker altijd een burgerbestaan gehad. Ja, zelfs in de moeilijke tijd ander Napoleon en daarna had zijn vader de bakkerij weten te behouden, terwijl er in die tijd toch zoveel bedrijven ten gronde waren gegaan. En wat zou zo’n jongen nu voor vak moeten leren? 

Het was immers nog steeds een slechte tijd, ofschoon er wel een beetje opleving kwam. Neen, de enige goede oplossing zou zijn, dat Jan bakker zou worden.

Schijnbaar ging het weer een tijdje goed ofschoon Jan alle moeite deed om zich aan het wakend oog van zijn vader te onttrekken.

Maar op zekere nacht wenste Jan niet op te staan. Zijn vader was inwendig zeer vertoornd, maar liet dit niet direct blijken.

In de loop van de volgende dag echter kwam het tot woorden en daarop besloot de bakker Jan de deur uit te doen. Hij dacht toen aan een bevriende bakker in de Steentilstraat in Groningen.

De volgende dag, toen hij langdurig over de stap had nagedacht en er met zijn vrouw over had gesproken, deelde hij Jan zijn besluit mede.

Dit leek Jan wel wat, naar Groningen, naar een behoorlijk grote stad. Hij was dan ook direct met het plan ingenomen.

En zijn vader was voldaan en prees zich gelukkig, omdat hij een prachtige oplossing had gevonden.

Hij dacht: als Jan eerst maar eens een paar jaar daar alle delen heeft geleerd, zal hij ook wel meer ambitie voor de bakkerij krijgen.

Zo kwam het dat vader en zoon op een goede morgen met de trekschuit naar Groningen vertrokken.

In de kajuit werd weinig gesproken. Jan vond zo’n reisje wel prettig, maar zijn vader, die al meermalen met de trekschuit naar Groningen was geweest, vond weinig plezier in de boottocht.

Bij bakker Rozema waren ze het spoedig eens over de voorwaarden, waaronder Jan zou werken. Het eerste jaar zou hij vijftig gulden toe betalen voor kost, inwoning enz. Als het goed uitviel hoefde hij het tweede jaar niets te betalen en het derde jaar zou hij vijftig gulden verdienen.

Dit waren de gewone condities in die tijd. Toen zijn vader  ‘s middags weer naar de schuit ging, was Jan al druk in de bakkerij aan het werk. Hij dacht er al aan, dat hij straks met de andere knecht de stad in zou gaan en met dat vooruitzicht deed hij zijn werk met plezier. Juan

Terzelfder tijd zat zijn vader in de kajuit en was tevreden over zijn optreden tegenover zijn zoon.

Zo zou er tenminste een flinke bakker van gemaakt worden en dan kon hij later de bakkerij van hem overnemen. Het was immers een goed bestaan geweest en nu nog, en wat ervan gebeurde, brood moest altijd gebakken worden. En het was toch altijd een eervol bestaan geweest.

Zo dacht de bakker in zijn eentje en toen hij ‘s avonds thuiskwam besprak hij nogmaals de goeie kansen, dat Jan een flinke bakker zou worden.

De eerste dagen en zelfs weken ging het Jan naar genoegen. Hij werkte in het vooruitzicht straks weer hetzij met of zonder broodwagen de stad in te gaan en dat was steeds een mooie afleiding voor hem.

Wel stond het hem tegen, dat hij evenals de andere knechten ‘s nachts moest opstaan om het brood te keren.

Hij probeerde zich er soms aan te onttrekken, maar dan bleek de bakker onverbiddelijk.

Langzamerhand was het nieuwe van de stad eraf. Hij kende alle straten en pleinen en alle voornaamste gebouwen en zaken. Dinsdags vond hij het nog wel even fijn om naar de markt te gaan, waar dan van alles te koop was, ijzerwaren, meubels, fruit enz. maar de grootste attractie was steeds de noordkant van de grote markt, want daar stonden de kooplieden met kleine vogeltjes, konijnen, duiven enz. Maar het was alle dagen geen dinsdag en al gauw vond hij er geen plezier meer in de stad rond te slenteren. Ook kreeg hij een gruwelijke hekel aan het ’s nachts opstaan.

Op zekere dag werd het hem te machtig en daarom ging hij naar bakker Rozema om hem ronduit te vertellen dat hij geen bakker wilde worden, en van plan was zo gauw mogelijk weer naar Sappemeer te vertrekken. 

De bakker probeerde hen te overtuigen van het onredelijke van zijn voornemen en trachtte hem over te halen tenminste nog een week te wachten, misschien dat hij nog van besluit zou veranderen. Maar wat de bakker ook praatte of voorstelde, het hielp niets. Jan wilde weg, en ging weg. Jan pakte zijn koffer in en vertrok de volgende middag naar Sappemeer.

Zijn vader keek vreemd op toen hij Jan zag verschenen.

Hij had gedacht, dat Jan het best naar zijn zin had en nu kwam hij met zijn koffer nog wel weer thuis.

Jan zei dat hij beslist geen bakker wilde worden. Hij wilde niet levenslang elke nacht opstaan om het roggebrood uit de over te halen en dan tot laat in de middag te moeten werken.

Het was een onaangename boodschap, die de vader te horen kreeg. Dus Jan zou dus toch geen bakker worden.

“Maar wat wil je dan wel, als je geen bakker wilt worden.”

En nu kwam Jan met een plan voor de dag waarover hij al lange tijd over nageslacht had, maar waarover hij nog met niemand had gesproken. Hij had zijn plan goed bekeken van alle kanten, zowel de voordelen als de bezwaren en daarom zei hij tot zijn vader: “Luister nu eens vader, over een paar dagen is het Zuidlaardermarkt en daar wil ik naar toe met de wagen vol krentenbrood. U weet wel brood van roggenmeel met krenten. Dat is een best artikel voor markten. Ik weet zeker, dat ik voor de middag mijn kar al leeg heb. 

En dan verdien ik veel meer met het verkopen dan met het bakken van brood. Laat mij dat nu eens proberen.

Geld gaat er niet veel inzitten en kans dat ik ze niet kwijt raak bestaat er niet. Jan pleitte met vuur. Zijn vader wilde er eerst met veel van horen, maar Jan kreeg onverwacht steun van zijn moeder. Zij vond het onaangenaam, dat haar man er maar steeds weer op tamboerde, dat Jan bakker moest worden. Het was bakker voor en bakker na, alsof er geen ander vak bestond, waar nog wel wat in te verdienen viel. Zij werd het beu altijd datzelfde thema te moeten aanhoren en was nu werkelijk verrast nu ze deze geschikte wending van Jan zelf hoorde. Daarom steunde zij het voorstel en haalde haar man over het eens te proberen. Zo kreeg Jan vergunning om de komende week met de wagen vol krentenbrood naar de Zuidlaardermarkt te gaan.

Hij moest nu maar eens een plan maken en berekenen hoeveel meel, krenten, enz. hij nodig dacht te hebben om een aantal broden, die hij voldoende achtte te maken.

Terwijl Jan zijn tuin inging en naar de laatste bloeiende dahlia’s keek, overwogen zijn ouders nog eens het voor en tegen van het plan van Jan. Zijn moeder was van mening, dat er in hem meer koopman stak dan bakker, maar zijn vader dacht bij zichzelf, dat hij op deze manier nog wel eens in de bakkerij terecht zou komen.

Toen Jan de volgende dag wakker werd, ging hij tegen zijn gewoonte in direct naar de bakkerij. Hier begon hoe meel af te wegen en krenten te wassen. Hij begon te cijferen en te rekenen.

Toen hij meende dat hij de prijzen voor de broden goed had vastgesteld, legde hij zijn prijsberekening aan zijn vader voor.

Hij had gedacht broden te maken, rond van vorm en ongeveer 12 cm dik. De goedkoopste soort zou 30 cent kosten, dan een dikkere van 40 cent en dan nog een van 50 cent. Zijn vader rekende alles nog eens goed na. Jan lichtte toe wat onduidelijk scheen en na kleine wijzigingen kon zijn vader zich ermee verenigen.

Daarna begon Jan te wegen en te kneden. Elke morgen als het roggebrood uit de oven werd gehaald, schoof Jan een partij “Drentse bollen” in de nog hete oven. Zo deed hij elke morgen totdat hij dacht voldoende te hebben, om zijn wagen te vullen.

De 3e dinsdag in oktober beloofde een mooie dag te worden. Het was een beetje mistig in de vroegte maar tegen acht uur trok de mist op.

Een lauw-zacht windje kwam uit het zuiden. Jan had die nacht maar weinig geslapen. Hij was niet bezorgd, dat hij de broden niet zou verkopen, neen, dat niet. Neen, hij zou doen zoals hij dat zo vaak had gezien in Groninger op de markt.

Een mooi plekje uitzoeken, liefst een hoek waar veel mensen langs kwamen en dan zijn broden met veel lawaai aanbieden.

Wie biedt er geld voor? Krentenbrood van het fijnste roggemeel gebakken. Zwart van de krenten. Dan zou hij met een groot mes het brood in tweeën snijden en daar zou hij aan het publiek laten zien hoeveel krenten er wel in zaten.

Dan zou bij beginnen: “Burgers, boeren en buitenlui, zie eens hier, een prachtige dikke Drentse bol, prima waar, proef ze maar. Zo’n pracht brood, zo een lekker brood koopt U nergens voor geen vijftig, 49–48. 47-46 cent, neen, ik wil geen 45-, geen 44, geen 43, geen 42, geen 41. Neen, deze dikke Drentse bol koopt u vandaag voor slechts 40 cent of te wel acht stuivers. Wie is er liefhebber?”.

En in gedachten zag hij de kopers al naar de broden grijpen. Zo had hij halfslapend half wakend de morgen afgewacht.

Toen het eindelijk begon te schemeren stond hij vlug op. Hij vulde de wagen, spande het paard in en reed langzaam weg.

Zijn ouders keken hem na. Waar zou dat op uitlopen, dacht zijn vader, maar zijn moeder was trots op haar zoon die zich wel een weg zou weten te banen door het leven. Toen ging zijn vader naar de bakkerij en zijn moeder probeerde nog even te slapen.

Toen hij in Zuidlaren aankwam kocht hij zich een mooi hoekplaatsje uit in het midden van het dorp onder de bomen van de es.

’t Was intussen tien uur geworden, langzaam kwam de drukte aan en nu dacht Jan de tijd gekomen om maar eens te beginnen. Hij kende zijn praatje goed van buiten, maar nu hij moest beginnen viel het hem niet mee.

Hij was nu een beetje zenuwachtig, bedeesd, durfde zijn stem eerst niet recht uit te zetten, maar naarmate er meer mensen aan zijn wagen kwamen te staan, werd zijn stem krachtiger.

“Hier moet je wezen, hier moet je zijn!! Fijne krentenbol, voor geen 42, geen 41, slechts 40 cent.” Voor acht stuivers, deze zware Drentse bol!! 

Wie is er liefhebber! Slechts veertig cent. 

Daar kwam de eerste, een dik boertje, nog en nog een.

Slechts veertig cent. Weer een paar liefhebbers, Steeds meer kwamen er en reikten hem 40 cent toe. Het loopt goed, dacht Jan. Boeren, burgers en buitenlui, voor slechts 40 cent zo’n dik krentenbrood.

Breng mee voor uw vrouw en kinderen thuis. Je hebt er dagenlang plezier van.” Als deze van 40 cent te klein is, koop dan deze dikkere van 50 cent en als die te groot is heb ik hier eentje van dertig cent. Ook prima kwaliteit, alleen een beetje kleiner. Zo prees Jan zijn waaraan en al heel gauw was hij de helft kwijt.

Hij werd wat schor van het schreeuwen, daarom wachtte hij een ogenblikje. Direct ging het publiek bij zijn kar weg en verspreidde zich. Hij wachtte een ogenblikje, keek eens in het rond naar andere standwerkers, keek op en zag, dat het bijna elf uur was. Daarna nam hij een stokje thee uit een fles, toen viel het hem op dat veel publiek langs zijn wagen ging, daarom begon hij voor de tweede keer zijn speech af te steken.

Direct kwam het publiek weer rondom zijn wagen te staan. Weer ging alles voorspoedig en toen het twaalf uur was, was zijn wagen zo goed als leeg. Nog even hield hij vol en daar ging en daar ging de laatste Drentse bol. “Zie zo,” dacht Jan, “Hier zal vader toch vreemd van opkijken.”

Hij ging een herberg binnen, keek eens rond en vond eindelijk een onbezette stoel. Hij bestelde koffie en at zijn meegebrachte boterham op. Daarna liep hij de markt eens over. Er waren veel paarden aangevoerd. Daarna ging hij naar het kermisterrein. Hier zag hij draaimolens, luchtschommels en “sla op de kop van Jut” Ook waren er acrobaten en worstelaars. Ook stonden er kramen voor de verkoop van paling, en andere vis, oliebollen en wafels. Hier bestond het publiek veelal uit jongelui. Het ging er ruw toe.

Er waren opgeschoten boerenjongens, die elk voor een dubbeltje een bamboe wandelstok met halfronde handvat hadden gekocht. Deze jongens liepen in groepjes achter de meisjes aan. Dan haakten ze plotseling met het handvat van zo’n stok een meisje om de hals. Ze trokken het meisje naar zich toe, keken haar eens goed in de ogen en vroegen “Hou je van mij ” of “Wil je met me uit.” Als het niet zo barbaars was geweest, had Jan kunnen lachen, om het geestige wat erin stak, maar hij vond het te ruw. Hij liep nog even de kermis rond, zag geen bijzondere dingen meer, die hij in Groningen nog niet gezien had en ging daarom terug naar zijn wagen. Het paard had intussen de haver uit de zak opgevreten en kon de terugreis weer aanvaard worden. In een vrolijke stemming reed hij terug. Hij kon tevreden zijn. Hij was het brood voor een goede prijs kwijt geworden en het geld zat in zijn zak.

Even drie uur was Jan weer thuis. Zijn vader was in de bakkerij druk bezig het roggebrood te kneden.

“En”, vroeg zijn vader; “Hoe is ’t gegaan, ben je alles kwijt geworden?” “O ja, ik had best wel het dubbele kunnen verkopen” zei Jan. Maar zijn vader voelde wel, dat dit een beetje bluf was van Jan, toch was hij zeer tevreden over het resultaat. Toen rekende hij met Jan af en nu bleek, dat Jan een aardig weekloontje had verdiend.

Jan maakte van de goede gezondheid van zijn vader gebruik en zei, dat hij van plan was ook naar de markten van Slochteren, Norg en Veendam te gaan.

Zijn vader zag wel in, dat het weinig zou baten, daartegenin te gaan, temeer daar hij wist, dat zijn vrouw, de handelsgeest van Jan erg bewonderde en aanwakkerde. En zo gebeurde het, dat Jan op alle markten in de omtrek verscheen met zijn wagen vol “dikke Drentse bollen”. 

Meestal had hij succes, vooral als het weer meewerkte, maar als het regende of erg koud was, bleef het publiek thuis en miste Jan zijn vaste klanten.

Vanaf die tijd bezocht Jan ieder jaar alle markten in de omgeving. Langzamerhand had hij een goede naam verworven met zijn lekkere krentenbrood. 

Hij had een speciale wagen laten maken met schuiframen, zodat de mensen zijn etalage van buitenaf konden zien.

Toen hij merkte dat hij zo gemakkelijk brood kon verkopen, dacht hij erover ook eens een artikel te gaan verkopen, waar meer aan te verdienen viel.

Zo kwam hij ertoe, om ook petten in zijn wagen ter verkoop op te nemen. Ook dit artikel ging er direct in als koek.

Toen hij met de petten wat extra verdiend had en een kleine reserve had gemaakt, nam hij er lappen rood baai bij, lappen juist voldoende voor een of twee baaien hemden.

Dit artikel werd door Jan op de markt gebracht met de woorden: Zware kwaliteit wollen baai, jicht en reumatieklijders. Hier krijg je je gezondheid terug. Draag roodbaaien hemden en de jicht vliegt je ribbenkast uit!!

Het publiek vertrouwde Jan blijkbaar goed, want ook de lappen rood baai werden tegen de winter altijd goed verkocht. Steeds meer lappen en stoffen nam Jan in zijn wagen op. Hij verdiende steeds meer en daarom kon hij met een beetje hulp van zijn vader een winkel beginnen in manufacturen. De winkel stond dicht bij de Borgercompagiesterbrug. De welstand, die Jan genoot, kon men hem wel aanzien. Hij ging graag volgens de laatste mode gekleed. ‘s Zomers droeg hij een wit zijden vest, zoals hij dat in Groningen gezien had, door lieden van de eerste stand.

Er waren dan ook wel mensen, die hem achter de rug uitlachten en hem voor een verwaande fat hielden.

Daarbij kwam, dat welvaart altijd de afgunst opwekt. Want afgunst volgt de welvaart steeds als een schaduw.

Ook dat zal Jan zeker weleens ondervonden hebben.  Niettegenstaande de afgunst, die hem overal beloerde ging Jan in zaken steeds vooruit, wat hij ook ondernam steeds had bij succes. Als er geen markt in de buurt was ging hij met zijn wagen de boer op in de omtrek. En zijn wagen was een nieuwtje, een complete rijdende etalage en zoiets trekt altijd de aandacht van kooplustige vrouwen. Zo raakte hij in de wijde omtrek bekend.

In die tijd, dat zijn zaken begonnen te bloeien en de nijd en afgunst hun lasterlijke praatjes om hem heen vlochten, toen, in die tijd, keek Jan uit naar een vrouw.

Zijn Vader had zich een vrouw gezocht even over de grens bij Ter Apel.

Ook Jan kwam wel eens op familiebezoek maar de meisjes daar vonden, dat hij wel wat erg opvallend gekleed was. Vooral zijn wit vest viel sterk op, zodat hij daar de bijnaam kreeg van: ”Jan breed wit van voren”.

Toch meende Jan door een aanzoek te moeten proberen En zo kwam het, dat hij op een goeie dag kennis maakte met Engelina Gadsens. Zij was een stil meisje, dat Jan bewonderde om al het vreemde dat aan hem kleefde.

Daarbij kon hij praten als Brugman. Vooral die welsprekendheid imponeerde het meisje bijzonder. Daarbij was hij sterk in zijn fantasie. En was hij al niet een schoonheid, toch wist hij door zijn correcte kleding en zijn goed verzorgd uiterlijk, een gunstige indruk van zijn persoon achter te laten.

Nadat hij ook kennis had gemaakt met zijn aanstaande schoonouders, had Jan de indruk gekregen, dat dezen wel eens naar zijn persoon zouden kunnen informeren. Daarom stuurde hij een zware haas aan de pastoor van Sappemeer, want deze zou wel eens in aanmerking kunnen komen voor informatie.

De pastoor was niet weinig verrast met dit lekker geschenk en vroeg of Jan eens bij hem op bezoek wilde komen!

Toen Jan bij de pastoor was, liet hij zich van de beste kant zien, zowel wat zijn kleding en uiterlijk, als zijn beschaafde manieren en gesprekken betreft, zodat de pastoor wel een gunstige indruk van hem moest krijgen. Daarbij kwam, dat de pastoor nog slechts korte tijd in Sappemeer was aangesteld.

Toen dan ook een paar dagen later inlichtingen over Remkes gevraagd werden, kon de pastoor waarheidsgetrouw niet anders dan gunstige berichten sturen. 

Toen zou daarna weer eens naar zijn meisje ging, werd hij daar wel is waar door de afgunst “Jan breed wit van voren” genoemd, maar zijn schoonouders ontvingen hem met gepaste vreugde en feestelijkheid, zoals dat gebruikelijk is bij ontvangst van een aanstaande schoonzoon. Of de pastoor ooit op zijn gunstige berichten is teruggekomen vermeldt de geschiedenis niet. 

Denkelijk is Jan wel zo slim geweest van tijd tot tijd een haas te sturen om daardoor de verworven goede naam te blijven behouden. Nadat het jonge paar elkaar wat beter had leren kennen, zijn ze verloofd en enige tijd daarna zijn ze getrouwd.

Zij was een vrouw van buitengewone degelijkheid, daarbij had ze veel zorg voor haar huishouding en gezin. Ze vertoonde zich weinig in ’t publiek, trad nooit op de voorgrond, bemoeide zich weinig met de omgeving, maar was in de winkel steeds nummer één. Ze was een prima koopvrouw, die Jan juist paste, omdat hij veel buiten bij de klanten was.

Zo vulden ze elkaar aan.

Jan hield van de buitenlucht. Mijn liefhebberijen uit zijn jeugd groeiden met de jaren en pasten zich bij de leeftijd aan. Had hij vroeger voldoende aan zaaibloemen, geranium stekjes, nu verbouwde hij rabarber dat in die jaren nog door niemand uit de omgeving werd verbouwd. Hij was de eerste in die jaren die zijn broeikas tomaten verbouwde, terwijl hij er ook druiven en perzik verzorgde. In van jeugdjaren ging hij graag een dagje vissen, nu echter was het zijn grootste liefhebberij om eens een dag op jacht te gaan. De vrienden, waarmee hij op jacht ging, wist hij steeds te zoeken onder de hogere stand, liefst mensen met klinkende namen.

Toch zorgde hij ervoor dat zijn liefhebberij geen hartstocht voor hem werd, want hij begreep zeer goed dat het zakendoen daar dan onder zou lijden.

Zijn zaken, zowel de winkel als de buiten verkoop gingen steeds vooruit. Met het klimmen van zijn jaren was de ijdelheid en pronkzucht gedaald, maar het streven naar het beste was in hem gebleven.

Steeds zocht hij naar nieuwe mogelijkheden, om vooruit te komen en geld te verdienen. Het was in die tijd omstreeks 1840, dat een zekere Scholtens, een jongeman, de zoon van een dominee uit een Gelders dorpje, een begin maakte met het maken van aardappelmeel.

Eerst op bescheiden voet, maar al gauw werd er een kleine fabriek gebouwd, in Foxhol. Jan had van het begin af aan direct de wording van de fabriek gevolgd. Het interesseerde hem zoals al het nieuwe hem sterk aantrok.

Toen de heer Scholtens dan ook iemand nodig had om de aardappelen voor de fabriek op te kopen viel zijn oog op Jan Remkes. Zo kwam het, dat hij de eerste commissionair werd in aardappelen.

Jan was geknipt voor dit werk. Hij was immers wijd en zijd bekend bij de boeren in de hele omgeving. Daarbij genoot hij een bijzonder groot vertrouwen en had hij steeds succes in alles wat hij ondernam. Vooral voor Jan zelf was het goed gezien om opkoper te worden. Want de betaling van de aardappelen gebeurde natuurlijk steeds in de kamer achter de winkel. En als de boeren geld hadden gebeurd, bleef er allicht wat in de winkella achter. Zo sneed het mes alweer aan twee kanten. Vanaf die tijd begon het geld verdienen dan ook pas goed.

Неt opkopen van aardappelen ging eerst met kleine partijtjes, want tot 1840 waren alle aardappelen voor consumptie bestemd, maar toen de landbouwers inzagen, dat er geld te verdienen was aan het verbouwen van aardappelen werden elk jaar de partijen groter en ook de provisie voor Jan steeg dus per jaar.

En zo bleek, dat Scholten een goeie had aan Jan en omgekeerd Jan een goeie aan Scholten.

Toen Jan een jaar of tien, vijftien misschien opkoper was geweest en zich in de aardappelhandel goed had ingewerkt, had bij al zoveel verdiend, dat hij er niet tegen opzag voor eigen rekening grote scheepsladingen aardappelen te kopen en naar Schiedam te sturen.

In Schiedam werd er destijds een goedkoop soort sterke drank van aardappelen gemaakt. Zo gebeurde het eens, dat een groot schip beladen met aardappelen onderweg werd verrast door de vroeg invallende vorst. Alle aardappelen bevroren en werden voor een bagatel in Schiedam aan de branderijen verkocht. Zo verloor hij in een winter twintigduizend gulden.

Maar het schijnt, dat Jan wel tegen zo’n stootje kon. Want ongeveer in diezelfde tijd kocht hij twee stukken, veengrond onder de gemeente Emmen. Bedoelde stukken veen lagen in Emmer-Compascuum. 

Niet alleen daar had Jan succes, ook de huwelijkszegen werd hem niet onthouden.

Zo werd hij in de loop der jaren vader van vier jongens en vier meisjes. De jongens werden alle vier in het manufacturen vak opgeleid, terwijl de meisjes hun moeder hielpen in de huishouding en ook dikwijls in de winkel bij sprongen, als het druk was.

De meisjes stonden dan ook spoedig bekend als meisjes, die de huishouding volledig onder de knie hadden en daarnaast best in staat waren om een winkel te besturen als dat nodig bleek te zijn. Het bleek dan ook al spoedig, dat Jan wel niet zou blijven zitten met zijn dochters.

Op een moment was een van de jonge dames, zelfs zo zeer in trek, dat op een zondagmiddag op hetzelfde uur twee rivalen kwamen opduiken. De twee sollicitanten maten elkaar eerst met de blikken, daarna trachtten ze elkaar met scheldwoorden te overbluffen, maar toen de strijd hierdoor geen voortgang maakte, begonnen ze te bakkeleien, waar aan zelfs bonenstaken te pas kwamen. 

Het meisje voor waar het om ging durfde uit angst voor haar vader niet buiten komen, maar stond met haar drie zusjes voor de ramen te kijken,

Zoals een hinde het einde van het gevecht van de twee hertenmannen afwacht, zo wachtte het meisje de strijd af van haar minnaars. Toen Jan door het rumoer in zijn middagdutje gestoord was, kwam hij kwaad naar buiten, nam een lange lat, scheidde de vechtenden van elkaar en maakte zo een eind aan de strijd.

Of de jonge heren de strijd buiten het bereik van Jan nog hebben voortgezet is niet bekend.

Wie zou denken, dat met het bekoelen van de strijd ook de liefde-brand zou bekoeld zijn  vergist zich, want reeds op de avond van dezelfde dag, kwam de ware Jacob opdagen. Sinds die dag was Rudolf Hensen van Schildwolde heer en meester van het terrein en duldde geen kapers op de kust. Van verkering kwam een verloving, en op verloving volgde een huwelijk Toen volgde Gezina Remkes Rudolf Hensen naar Schildwolde.

Een paar jaar later kwam er een jongeman om de hand van de derde dochter vragen. In het geheim was het meisje het natuurlijk al lang eens met de jongeman.

Officieel bracht de jongeman een bezoek bij zijn aanstaande schoonvader. En nadat hij reeds enige tijd over van alles en nog wat hadden gepraat raapte de jongeman al zijn moed bij elkaar en begon het doel van zijn komst te bepleiten.

Al spoedig kreeg de jongeman het gevoelen, dat Jan hem wel als zijn schoonzoon zou willen hebben en niet ongenegen zou zijn hem in zijn familie op te nemen.

Maar de jongeman moet wel vreemd hebben opgekeken toen Jan zei: “Kijk eens jongeman, ik ben niet ongenegen je als mijn schoonzoon aan te nemen, maar ik heb een klein bezwaar. Ik heb n.l. de goeie gewoonte alles op de rij af te doen, eerst het eerste en dan het volgende, zo ook hier, mijn oudste dochter is verloofd, nu volgt de tweede. Als je dus mijn tweede in plaats van de derde dochter wilt hebben, dan ga ik daar direct mee akkoord.” Later is gebleken, dat de jongeman met het voorstel niet akkoord ging, want na enige tijd kreeg hij toch permissie om met de derde dochter een verkering aan te gaan. Hierop volgde zoals gewoonlijk een huwelijk. 

Terloops zei opgemerkt, dat Jan ook een agentschap had van gras en klaverzaad. Want, toen er eens een jongeman idee had om met de vierde dochter in kennis te komen, kocht hij in de winkel van Jan Remkes een pakje klaverzaad. Of hij bij deze gelegenheid het meisje naar zijn hart heeft ontmoet, is niet bekend. Maar vrij zeker zullen ze elkaar, was het al niet bij deze gelegenheid, dan toch zeker spoedig daarna wel ontmoet hebben. Want ook deze twee jonge mensen zijn na enige strubbelingen toch een paar geworden. 

De jongeman had in de tegenwoordige tijd zeker om een zakdoek gevraagd om het meisje naar zijn keuze te ontmoeten. Maar het schijnt, dat klaverzaad destijds een even courant artikel was, als een zakdoek tegenwoordig. 

In die tijd moesten er nieuwe leden voor de gemeenteraad verkozen worden. Het oog viel op Jan. Hij was toch een “allround” man, van alle markten thuis, dus juist geschikt voor dat baantje. Hij stond immers bij boeren, burgers en buitenlui weer gunstig bekend.

Toen hij zich dan ook als kandidaat liet stellen werd hij met een grote meerderheid van stemmen lid van de Raad van Sappemeer.

Enige jaren later, toen hij doorkneed was in de politieke knepen, werd hij aangezocht om wethouder te worden. Ook dit nam hij aan en met ere heeft hij het met houderschap vele jaren waargenomen.

Nu gaan we even terug naar Nicolaas Remkes, de vader van Jan. 

Het laatst hebben we hem zien optreden, toen zijn zoon Jan terugkwam van de markt van Zuidlaren. Sinds die tijd gebeurden er weinig daverende gebeurtenissen in zijn leven. 

Hij heeft drie vrouwen gehad: 1º Gezina Korte. 2º Antoinette Post en als 3 º Christina Lind. De laatste heeft hem overleefd.

Toen Nicolaas een mensenleven lang brood had gebakken dacht hij erover te gaan rentenieren en vond aan de overkant van het Winschoterdiep een geschikt huis. Een witgepleisterd huis, groot genoeg voor twee mensen op leeftijd. Op zijn oude dag heeft hij veel plezier gehad van de welstand van zijn zoon Jan. Hij was 83 jaar, toen hij in het voorjaar 1880 stierf n.l. op 14 maart.

BID VOOR DE ZIEL VAN ZALIGER NICOLAAS REMKES,

Echtgenoot van

CHRISTINA LIND 

Geboren te Sappemeer den 8 September 1797 na het ontvangen der H. H. Sacramenten overleden den 14 Maart 1880, en begraven den 19 daaraanvolgende op het R.C. Kerkhof aldaar.

Hij was oprecht en godvreezend bemind bij God en de menschen. Want hij, die God vreest, zal welvaren in zijn uiterste en gezegend worden in den dag zijns doods. Werkzaam en met zorg heeft hij zijne dagen doorgebracht, en zijn brood niet in ledigheid gegeten. God heeft hem door zijne liefde van veel lijden bevrijd. 

Echtgenoote, geef uw hart niet over aan de droefheid, God zal uw helper zijn. Kinderen, eert uwe moeder, zijt eensgezind, dient God en bidt voor mij.

ONZE VADER + WEES GEGROET, DAT hij RUSTE IN VREDE.

En hiermee neem ik afscheid van Nicolaas Remkes terwijl ik nog even de laatste zin op zijn bidprentje herhaal: „Dat hij ruste in vrede.

Om weer terug te komen op zijn zoon Jan. Hij was een statige man, vooral in zijn laatste. Jaren was hij een prachtfiguur met zijn lange grijze hoofdharen en witte puntbaard. Het was Jan goed gegaan in zijn zaken. Hij was God er dankbaar voor, niet zozeer voor zichzelf maar vooral ook omdat hij door zijn welstand zovelen had kunnen helpen. En hij hielp velen, niet alleen van zijn naaste familie, maar ook anderen.

Daar hij bekend stond als een vooruitstrevend zakenman, kwamen velen hem om raad vragen. Maar dikwijls is het zo, dat niet eerder om raad wordt gevraagd, dan dat de zaak hopeloos in de war kit

Toch heeft Jan gedurende zijn leven velen uit het moeras gehaald, anderen door wat te laten bijleren in de gelegenheid gesteld zich een bestaan te verwerven.

En dat alles deed hij met de rechterhand, zodat de linker niet wist wat de rechter deed. Toen hij zijn krachten voelde minderen en de zaken gerust aan zijn zonen kon overlaten, trok hij zich uit de zakenwereld terug. Hij kocht aan de overkant van het Winschoterdiep een “renteniersbehuizinge” Zoals de term luidde, en bracht daar de laatste jaren van zijn welbesteed leven door. Voor hij stierf, overzag hij nog eens zijn hele leven. Hoe zijn vader er altijd op gesteld was geweest, dat hij bakker zou worden. Hoe zijn vader hem naar Groningen bracht in een bakkerij om toch maar een bakker van hem te maken. Dat ook dat mislukte.

Nu weer zag hij zijn eerste succes in het verkopen van Drentse bollen in Zuidlaren. Hij ziet zich de verschillende markten bezoeken.

Zijn succes stijgt. Hij begint een zaak. Zijn vrouw helpt hem de zaak verder uit bouwen. Ja, hij heeft een flinke vrouw gehad. Wat kon ze goed met de klanten omspringen. God ik ben U dankbaar voor zo’n is beste vrouw. Hij ziet zijn acht kinderen geboren worden. Hij voedt ze op in eer en deugd en ziet ze allemaal getrouwd met mannen en vrouwen die bij hen passen. Ja, God heeft hem bijzonder gezegend, eerst in zaken en daarna in kinderen. Hij ziet de aardappelmeelfabriek van Scholten opkomen en dan groeit meteen ook zijn kapitaal. Hij wordt een eervol burger, lid van de Raad en daarna wethouder der Gemeente,

Ja, hij heeft altijd zijn best gedaan, hij is rechtvaardig geweest in handel en wandel. Slechte handelwijze ben ik mij niet bewust. God, nogmaals, in ben U dankbaar voor de rijke zegeningen.

Ik heb mijn leven goed besteed.

Daarna zag hij velen van zijn familie, vrienden, kennissen, armen en hulpbehoevenden in de geest aan zich voorbijtrekken. Allen had hij geholpen met raad, maar vooral met de daad. Met zijn geld had hij velen gelukkig gemaakt. Hij streek met de hand over zijn ogen. Die lange rij van hulpbehoevenden wilde hij niet zien. 

Had god hem het geld niet gegeven er anderen weer blij mee te maken? Zo dacht Jan na over zijn leven, terwijl in een rieten leunstoel in het prieel zat en naar de tomaten en komkommers keek. Hij bleef nog lange tijd zitten en toen viel zijn blik op viooltjes en zonnebloemen die steeds hun bloemen naar de zon keerden. Ook voor hem was de tijd aangebroken zich naar de zon, naar God te wenden. Zijn tijd hier was voorbij.

Maar met en dankbaar gevoel kon hij Simeon nazeggen: 

“Laat me o, Heer, uw dienaar in Vrede gaan want mijn leven heb ik wel besteed.”

Jan Remkes stierf op 3 januari 1892. De begrafenisstoet was zo groot als men in geen jaren in Sappemeer had gezien.

Scroll naar boven