De bakkerij

Toen Jan de volgende morgen opstond was het nog duister. Hij kleedde zich vlug aan, want het was al bijna zeven uur. Hij ging de trap of nam zijn koffer en wilde juist de deur uitgaan, toen zijn vader hem opwachtte, hem een hand gaf en met een “Jan het ga je goed, jongen” de deur opendeed. Jan stond buiten. Een scherpe wind was in de nacht opgestoken en sneed hem koud in het gericht.

Hij liep stevig door in de richting van het kanaal. Geleidelijk werd het wat lichter, de schemering drong door. Toen hij een half uurtje langs het kanaal had gelopen, ging hij de weg linksaf en kwam weldra aan in het dorp.

Tot aan het marktplein liep hij door en ging toen de hoek om rechtsaf. Bij het zesde huis bleef hij staan. Hij keek op naar een uithangbord dat aan de gevel hing. Met gouden letters, en sierlijke ronde halen stond op een zwart achtergrond, Lüdwich Schönfeld – Bakker. Nu was hij, waar hij moest zijn. Hij ging de twee treden hoge stoep op, deed de deur open en ging binnen. De klank van de winkelbel galmde de gang in. En alsof hij hier al thuishoorde liep hij langs de toonbank waar de warme roggebroden in rijen naast elkaar lagen.

Hij liep langs de Friese stoeltjesklok en zag dat het bijna 8 uur was! Hij ging de gang door en kwam in de woonkamer, waar de familie Schönfeld juist met de boterham zou beginnen.

Hij werd door de bakker verwelkomd en ook de vrouw van de bakker zeide direct hartelijke woorden tot hem.

“Kijk Jan,” zei zij. “Ik had gedacht, dat dit jouw plaatsje zou worden, hier aan deze kant van de tafel. En ga nu maar direct zitten, want je ziet ik heb al op je gerekend. Je boterhammen staan al klaar!

Zo kwam hij schuin tegenover de dochter des huizes te zitten.

Onder het eten schonk zij koffie uit een tinnen koffiepot door het kommetje onder het kraantje te zetten en zorgde ervoor dat het Jan aan niets ontbrak.

Aan tafel werd weinig gesproken. Ze hadden veel haast, want zo meteen moest het paard worden aangespannen om het brood aan de klanten te brengen.

Toen ze opstonden van tafel ging Jan met de bakker mee. De eerste tijd zouden ze samen met de wagen de klanten afgaan, dan kon Jan de route leren kennen. Van huis uit kon hij met paarden omgaan en ook het omgaan met de klanten was voor Jan niet vreemd.

Toen hij met de wagen voor de bakkerij reed, keken er velen naar hem om. “Ga je bakker worden? ” Zei er een.

“Je blijft wel in ’t soort; ” zei een ander; “een molenaar is meestal wit en een bakker ook.”

En Jan antwoordde met een geestig woord en een lachend gezicht. Hij dacht, laat ze maar lachen, dat is beter, dan dat ze om mij gaan huilen. Zo ging het ook bij de klanten. Maar omdat ze Jan allen kenden, was het vreemde er gauw af. ‘s Middags moest Jan helpen met roggebrood kneden. Dat was zwaar werk. Na het kneden werden de broden in vorm gemaakt, om daarna in de oven te worden geschoven.

Na dit werk wachtte de boterham en zat de familie nog gezellig een uurtje bijeen. Terwijl de bakker in een boek zat te lezen, en vrouw Schönfeld breide, verzorgde Dina verder de huishouding. Zij schonk koffie en verzorgde de kachel. Jan mocht dan ook graag in de boeken bladeren, en merkte dan dikwijls dat Dina naar hem keek.

“Het was dan ook geen wonder, dat de rijzige gestalte, de kinderlijk blauwe ogen en de licht krullende blonde haren, de blik van het meisje naar hem toe trok. Daarbij was hij vriendelijk van aard en wist altijd vrolijk te zijn, vooral als hij in gezelschap van jongedames verkeerde. En ook Jan was niet ongevoelig voor die trekkende blik. Die blik, die hem steeds zocht, hem volgde en hem steeds gebonden hield. De blik van een meisje, knap en bekoorlijk. Die blik voor hem was zo ongedwongen, zo vrij en toch voor anderen zo bedeesd en voorzichtig.

Jan leefde als in het paradijs. Het werk ging hem vlot van de hand. De dagen vlogen voorbij, totdat er plotseling een eind aan dit aards paradijs werd gemaakt. Op een avond, toen de familie aan tafel zat boterham te eten, zat Jan op zijn gewone plaats schuin tegenover Dina. Schönfeld zat naast Jan en had zijn benen uitgestrekt onder de tafel. Dina wilde schijnbaar de aandacht trekken van Jan en probeerde met haar klompen de klompen van Jan te  tikken.

Reeds een paar keer had zij de klomp aangeraakt zonder dat Jan hierop reageerde, maar nu Dina wat harder schopte, stoof plotseling haar vader op en terwijl hij haar driftig aankeek, zeide hij: Dina, je gaat in het vervolg naast moeder zitten, ja, ga direct maar. Dina bloosde tot achter de oren, keek bedeesd voor zich en ging naar de aangewezen plaats. Maar ook Jan had een kleur gekregen, eerst bleek toen rood. Hij kreeg het benauwd, durfde niemand aan te kijken.

Dina had zich lelijk vergist. In plaats van tegen Jans klompen te tikken had zij haar vaders klompen aangeraakt. De verdere avond en ook de volgende dag zaten beide in spanning of de bakkers er nog op terug zou komen, maar toen dit ook de volgende dag niet gebeurde, meende beiden dat het drama wel niet diep bij Vader was doorgedrongen. De derde avond na het voorval ging de bakker uit. Dit deed hij anders in de week nooit, zodat dit erg opviel. Jan was niet ten volle gerust over dit plotselinge uitgaan, zodat hij probeerde na te gaan welke kant de bakker uitging. En nu zag hij, dat de bakker over de markt naar het kanaal ging, haar steeds bleef volgen! Het kon dus niet anders. De bakker ging naar de molenaar. Even later had Jan de gelegenheid Dina te vertellen, dat haar vader de weg had ingeslagen naar zijn vader. Wat zouden de gevolgen kunnen zijn van dit bezoek?

Terwijl de bakker zich naar de Molenaar begaf, dacht hij over zijn dochter en Jan na.

Och, hij kon het goed met Jan vinden. In de tijd van bijna een jaar had Jan zich leren kennen als een degelijke, flinke jongen, waar wel een goeie bakker uit zou groeien. 

En de familie Remkes was ook nog niet te versmaden. Zijn dochter zou er een partij mee doen. Zij waren beiden nog wel jong, maar er waren wel meer jongelui van hun leeftijd getrouwd, dat toch ook wel gelukkige huwelijken waren geworden.

En van trouwen kon direct natuurlijk niets komen, Jan moest eerst een flinke bakkerij en een goed bestaan veroveren. Het beste zou zijn, dat Jan, die nu niet langer bij hem kon inwonen, bij Grünberg zijn verdere opleiding zou krijgen. Bij Grünberg was immers een mooie plaats vrij sinds daar de zoon ziek was. Dat leek een mooie oplossing. Dan waren Jan en zijn dochter toch nog dicht genoeg bij elkaar om de kennismaking voort te zetten.

Daarbij was Grünberg een moderne bakker die soms ook wittebrood en tarwebrood bakte. Dat kon Jan daar dan meteen leren. Met deze gedachten bezield, trad hij bij de molenaar binnen. Deze en zijn vrouw keken wel een beetje vreemd op, toen ze bakker Schönfeld op dit uur zagen binnenkomen. Zou er wat zijn met Jan, iets wat niet deugde? Was er wat gebeurd? De vrouw kon zich dan ook niet bedwingen en vroeg daarom: “Is er wat met onze, Schönfeld?” Maar Schönfeld lachte eens hartelijk en dat stelde de moeder al gauw gerust. “Ja”; zei Schönfeld; “er is wat met Jan, maar niet alleen met Jan, ook is er wat met mijn dochter Dina. Die twee kunnen het al heel aardig met elkaar vinden. En daar steekt ook geen kwaad in.

Maar waarvoor ik hier eigenlijk kom is, dat die twee jongelui niet langer zo dicht bij elkaar moeten zijn!

De molenaar en Zijn vrouw stonden verbaasd te kijken, toen Schönfeld hen dat vertelde. Dus had Jan een oogje op de dochter van de bakker. Dat zou nog zo onaardig niet zijn, dacht de moeder.

Dan bleef haar jongen tenminste in hetzelfde dorp en de enkele keer dat zij kennis had gemaakt met Dina, was steeds gunstig voor Dina uitgevallen.

Als Jan tenminste in de buurt bleef, was er van haar drie kinderen, tenminste een waar ze zo nu en dan eens heen kon gaan. Het werd thuis toch al zo stil de laatste tijd: Terwijl haar gedachten gingen in de richting van haar eigen geluk, bekeek de molenaar meer de praktische kant van de verbintenis tussen Dina en Jan.

De Familie Schönfeld stond hoog aangeschreven en bij ieder, ook in de verre omtrek werd zijn naam met eere genoemd. Daarbij was hij niet onbemiddeld, want de bakkerij bezat hij nu reeds meer dan dertig jaar. En het was een van de besten, misschien wel de beste uit de omtrek. Want Schönfeld gebruikte steeds de meeste mudden rogge.

En als het geluk nu eens dienstig was, kon Jan over een paar jaar de bakkerij overnemen. Wilde Jan dus beslist de molen niet hebben, dan bleef hij tenminste in de buurt. Ze waren beiden nog jong, maar kennis hebben is nog geen trouwen.

Dina kende hij eigenlijk niet. Hij had nooit met haar gesproken. Alleen wist hij dat zij een fors meisje was, dat schalks onder de kanten van haar oorijzer uitkeek.

Hij wist ook, dat vrouw Schönfeld van aanpakken hield en kon hij dus gerust aannemen van aan dat ook haar dochter van hetzelfde soort zou zijn. Terwijl hij zo zijn gedachten liet gaan, zeide Schönfeld, “Ik had daarom gedacht, dat Jan een plaatsje zou krijgen bij bakker Grünberg. Bakker Grünberg is ook een meer moderne bakker dan ik. Jan kan daar allicht nog wat meer leren dan bij mij. Nog steeds gaf de molenaar en ook zijn vrouw geen antwoord.

De bakker ging daarom door en vertelde: “Ik ben erachter gekomen, doordat Dina maandagavond meermalen met haar klomp tegen mijn klomp tikte. Zij zitten altijd tegenover elkaar aan tafel, maar ik zat naast Jan en had mijn benen wat ver naar hem uitgestrekt. Zodoende tikte zij tegen de verkeerde klomp. Nu moet Dina voortaan naast haar moeder zitten.

Toen de molenaar dat hoorde, lachte hij eens hartelijk en zeide zich tot zijn vrouw wendend: “Hoor je dat, Vrouw, Het is altijd hetzelfde leiedje. Weet je nog, dat ik je voor ’t eerst in het rijtuig heb gehad? Dat was toen je vader en ook ik naar Aurich waren gegaan om paarden te kopen, nu ruim dertig jaar geleden. Er was ook een soort kermis en toen hebben we samen voor het eerst meegedaan aan de ringstekerij. Weet je dat niet meer? Je was zo verbouwereerd dat je geen enkele ring kon steken, maar jij zei, dat ik goed kon mennen en met paarden omgaan. Bij de een begint het in een sjees en bij een ander met klompen.”

De vrouw keek bedeesd naar haar handen in haar schoot. Die mannen ook altijd. Toen stond zij op en hield drie kommetjes onder het koffiekraantje. “Maar hoe dacht U over het idee om Jan bij Grünberg verder in de leer te doen?” ” vroeg de bakker.“Ik vind dat een uitstekende oplossing, wat zeg jij ervan vrouw?”.

“‘t Is mij best naar mijn zin, maar wat zegt Jan er zelf van?”

“Jan weet er zelf niets van, zelfs niet dat ik hier ben, maar ik wilde eerst weten jullie ervan dachten, en daarom ben ik hier gekomen. Toen de molenaar en ook zijn vrouw hier niet op reageerde, vervolgde hij: “mij dunkt ik moet dat zomaar in orde maken. Als ik er met jou over praat vindt hij dat zeker heel goed. Het is een pracht oplossing.”

Terwijl de bakker en de molenaar en zijn vrouw het roerend eens waren met elkaar en in het verschiet de jongelui al in de bakkerij van Schönfeld zagen genesteld, wandelden Jan en Dina in het halfduister het veld in langs een bosrand.

En Jan vertelde van zijn vrienden Geerts in Harm de Vries, die regelmatig met het diggelschip naar ’t Groningerland voeren. Hij vertelde, wat hij van hen gehoord had, over de florissante veendorpen, de veenkoloniën, zoals die daar genoemd werden. Hij vertelde van de ontginningen van het veen daar en dat er veel geld werd verdiend met het afgraven van het veen. En dat de mensen zo los aan geld zitten, dat er door zakenlui zeer veel kans op succes is, en dat er volgens hem dus ook wel alle reden bestaat om met succes daar een bakkerij te beginnen. Met veel warmte pleitte bij hoe mooi het zou zijn, zelf een zaak op te bouwen, de zaak zelf groot te maken en dan als Fortuna een beetje mee wil werken, later te kunnen zeggen: “Kijk, dat is mijn werk, die bakkerij heb ik zelf opgewerkt, en groot gemaakt.” En zoiets kan alleen daar waar vooruitgang is. Want kijk nu eens hier in Kelten. Hier zijn vier bakkers en ieder heeft een bestaan, misschien zelfs een goed bestaan. Maar zo ’n bakkerij meer beklant te maken, bestaat immers niet. Het aantal klanten dat elke bakkerij heeft blijft steeds hetzelfde, er komen immers geen nieuwe mensen bij. Het aantal blijft steeds gelijk. En dat heb je in zo’n vooruitgaande plaats als daar, in de veenkoloniën niet. Daar komen steeds meer mensen bij. Daar wordt gebouwd. De plaats breidt zich steeds uit. Steeds nieuwe huizen en een drukke scheepvaart: Zo praat Jan in grote begeestering, ook Dina begint voor dat plan te voelen. 

Ja, zelf wat opbouwen, samen groot maken. Dat is een ideaal. Dan breng je zelf wat tot stand, wat je samen hebt bereikt. Ja, zoiets bereik je hier in Kelten nooit.

Toen ze ’s avonds achter elkaar thuiskwam, wachtte vrouw Schönfeld nog op haar man. Toen deze thuis kwam, riep hij Jan even in de bakkerij en vertelde hem van het plan, dat hij zojuist met zijn ouders had besproken. En omdat Jan een groot vertrouwen in zijn baas had, stemde hij direct met het plan in. En zo kwam het, dat hij reeds de week daarop bij Grünberg in betrekking kwam. Al heel gauw wist de nieuwe patroon wat hij aan Jan had. En het bleek, dat hij bij Schönfeld zijn ogen goed de kost had. Hij was al heel goed met het vak op de hoogte. En Grünberg vond het een gemak, dat hij niet overal en altijd tegelijk meer hoefde te zijn. Ook voelde Jan zich gestreeld, omdat hem in vele dingen de vrije hand werd gelaten. En hij deed zijn best om steeds meer zelfstandig te worden. Geregeld kwam hij bij zijn oude baas thuis. Dikwijls kwam hij er zondags eten en het was er dan steeds een gezellige sfeer. Na het eten als de vrouwen dan de tafel ontruimd hadden en de vaat gingen wassen, praatte Jan met veel sympathie over de nieuwigheden van het bakkersvak, die hij bij Grünberg leerde. Na de middag ging Jan dan dikwijls met Dina naar de molen. Op een zondagmiddag, toen ze weer naar de molen gingen, begon Dina te praten over het idee om zelf een zaak te beginnen daar in de veenkoloniën. Ze hadden nu al ruim anderhalf jaar kennis aan elkaar gehad en zij dacht wel, dat zij niet eerder zouden trouwen, voordat Jan een eigen zaak zou hebben. En ook wist zij, dat zijn hart nog altijd hing aan het idee om zelf een zaak groot te maken en dat kon alleen daar, waar veel mensen bij elkaar kwamen, zoals in de veenkoloniën in het Groninger land.

Daarom begon zij over een eigen zaak te praten. Jan vond er plezier in, dan ook zijn Dina verlangen kreeg naar het opbouwen van een eigen zaak, zoals hij dat al lange tijd had. Hij stelde daarom voor naar huis te gaan om met zijn vader en moeder eens over dit thema te praten en meteen te vragen of zijn vader hem daarbij niet een beetje kon helpen.

Toen ze thuiskwamen heerste er direct al een gezellige stemming, want zowel zijn vader als zijn moeder waren erg gesteld op de bezoekjes van Jan en hun aanstaande schoondochter.

Het voorstel van Jan om een zaak te beginnen viel dan ook direct in goede aarde. De molenaar voelde wel, dat nu ook het laatste kansje, dat Jan nog eens op de molen zou komen verdwenen was, maar het toekomst geluk van zijn kinderen stelde bij boven zijn eigen geluk.

Daarom moest Jan maar eens met Geert en Harm bespreken welk gedeelte van de veenkoloniën hen het meest gunstig voorkwam. Jan en Dina voelden zich die avond over gelukkig. Terwijl zij stevig gearmd in de maneschijn naar het dorp terug wandelden, drong Dina erop aan toch spoedig met Geert en Harm te overleggen. Toen ze ’s avonds hartelijk afscheid van elkaar hadden genomen, dachten beiden nog lang over hun grote plannen. En tot in hun dromen zagen zij de veenkoloniën, die ze alleen maar van horen zeggen kenden.

Veertien dagen later waren de plannen zover gerijpt dat Geert en Jan met de sjees van Kelten over Rüchtenbrock naar Ter Apel reden. In Ter Apel was Jan wel al meer geweest. Vandaar ging het langs het pas gegraven kanaal naar Stadskanaal.

Bij een uitspanning, reden ze door de doorrit en werd het paard door een stalknecht uitgespannen. Hier bestelde Jan voor ’t eerst van zijn leven een diner. En hij was zo tevreden over de rit dat hij er een fijne fles wijn bij bestelde. Na het eten gingen ze naar de veengraverij kijken.

Hier zagen zij hoe de bovenste laag grond, die begroeid was met heide en allerlei planten, werd weggegraven. Van de laag veen, die dan volgde werden de dikke vlakkige turven gesneden, die bijzonder geschikt zijn voor het aanmaken van het vuur.

Na deze laag volgde de dikste laag veen, waar de harde turf van gestoken werd. Dit alles wist Geert hem te vertellen en zeer nauwkeurig uit te leggen.

De volgende dag reden ze weer verder, langs Musselkanaal, Bareveld, Wildervank en Veendam. Hier was het veen al meer dan honderd jaar afgegraven en waren er dorpen ontstaan, waarvan de bevolking meest landbouwers waren.
Van Veendam gingen ze door naar Muntendam. In Muntendam liepen een paar jongens op blote voeten achter het rijtuig aan, terwijl ze voortdurend op hun handen over de kop duikelden. Jan was wel eens in Munster in een circus geweest, waar de clowns ook op hun handen over de kop gingen, maar zo langs de straat had hij het nog nooit meegemaakt. Hij vond het bijzonder leuk. Geert vertelde, dat dit een eigenaardigheid van de Muntendammer bevolking was. Zij deden dat om de aandacht van de vreemdelingen te trekken en dan geld te krijgen.

Jan gaf een dubbeltje en meende toen van de duikelaars af te zijn. Maar juist deze royale gift bracht van alle kanten handenlopers en duikelaars naar het rijtuig, totdat Jan wel verplicht was de paarden in draf te laten lopen.


Vandaar kwamen ze langs het Winschoterdiep in Sappemeer aan. Hier was volgens Geert het meeste succes te wachten. Ze reden tot het eind van het dorp en gingen daar uitspannen. Ze lieten zich door de herbergier het een en ander van Sappemeer vertellen. Toen Jan wat te eten en te drinken besteld had en Geert en ook de waard een brandewijn had aangeboden, werd de waard spraakzaam en vertelde, dat volgens hem in de omgeving van de Borgercompagniesterbrug ongeveer op de scheiding van Sappemeer en Sappemeer Oost, de meest geschikte plaats zou zijn om een bakkerij te beginnen. Het was daar zo ongeveer een punt waar vier wegen samenkwamen, nl. van Borgercompagnie, Sappemeer Oost, Slochteren en van Hogezand. 

En in de omtrek daarvan had zich nog geen bakker gevestigd. Ook legden daar dikwijls de schippers aan. Dat alles bij elkaar genomen was volgens de waard voldoende reden om het daar eens te proberen. Toen ze gegeten hadden, stelde Jan voor eens naar de Borgercompagniesterbrug te gaan om de buurt eens te gaan bekijken. En nu bleek, dat dit dezelfde plek was, die Jan was opgevallen, toen ze er een uurtje geleden voorbij waren gereden. Hier keken we eens rond en zagen dat er een huis dicht bij de brug in aanbouw was. Jan dacht, dat dit een zeer geschikt huis voor een bakkerij zou zijn. Het was nu alleen nog maar de vraag of het huis te koop of te huur zou zijn. Bij een winkelier kochten ze een pakje tabak en vroegen terloops of hij de eigenaar van het huis soms ook kende.

De man had horen zeggen dat de timmerman het pand bouwde om het te verhuren of te verkopen. Het zal wel billijk te koop zijn, want de timmerman had al dikwijls voor zichzelf huizen gebouwd om ze direct te verkopen.

Jan bedankte de winkelier en toen gingen ze samen naar de aannemer. Deze bleek een zeer geschikt man te zijn. Toen hij hoorde, dat Jan er een bakkerij in wilde beginnen, was hij ook graag genegen er een flinke stevige schuur met zolder en kap aan te bouwen. Ook zou hij voor de ovens zorgen.

Toen ze alles breedvoerig hadden besproken en overeenkomst over de prijs was verkregen, nodigde Jan de timmerman uit, om nog een glaasje in de herberg te drinken op de goeie afloop van het zaken doen.

Hier beloofde Jan de timmerman om na drie dagen terug te komen met zijn vader.

Indien deze de overeenkomst zou goedkeuren zou de koop verder tot stand komen. Zo werd besloten.

Die avond praatten Jan en Geert nog lang na over de gewichtige stap die Jan zou zetten. Ofschoon zij die avond vroegtijdig naar bed wilden, gingen ze toch nog even naar het nieuwe huis kijken. Daarna gingen ze naar bed, want al om 4 uur zou de stalknecht de paarden inspannen en voorrijden.

Terwijl Jan op de heenreis geen ogen genoeg had om al het nieuwe in zich op te nemen, had hij mee op de terugreis weinig belangstelling voor de omgeving en de dorpen, waar ze langs reden.

Steeds dacht hij weer aan zijn toekomstig huisje, zijn bakkerij dicht bij de brug. Hij zag de schepen door de brug varen. De schepen in aanbouw op de werven. Zijn oren hoorden nog steeds het gehamer van de scheepstimmerlieden. Hij zag de boeren rijden met hun eigenaardige wagens, vierkante bakken op drie wielen, heel anders dan in Kelten. Hoe dichter hij de grens naderde, des te meer veengraverijen zag hij. Maar daar had hij nu niet veel belangstelling meer voor. Het laatste traject werd in draf afgelegd. De paarden kwamen weer op bekende wegen en Jan zowel als Geert verlangden naar het einde van de reis.

Toen zij de molen in zicht kregen, meenden ze op de bovenverschansing een paar gedaanten te kunnen onderscheiden. En hoe meer ze naderden, des te duidelijker werden de gedaanten. Nu voelde Jan een prop in zijn keel komen, maar even, dan bedwong hij dat gevoel. Die molen, die hij niet gewild had, deed mij dienst als uitkijktoren voor zijn vader, zijn moeder en hij aanstaande vrouw. Zijn moeder had zeker veel moeite gehad om boven te komen. Zij liep zo moeilijk en traplopen, was voor haar nog veel zwaarder werk. Maar om hem terug te zien komen had bij zich die moeite getroost.

Het eerst was Dina beneden en na een eerste ontmoeting volgde de molenaar in zijn vrouw. Toen ze samen met Geert in de keukenkamer bij de koffie zaten, moest Jan vertellen. En Jan vertelde alles wat hij wist van de nieuwe bakkerij, van de ligging van de afmetingen van de kamers, winkel, ramen, zolders en bakkerij. En als Jan was uitverteld of naar zijn kom koffie reikte, viel Geert in en vertelde verder en uitgebreider, waar hij meende, dat Jan te beknopt was geweest. Op’t laatst zeide Jan, dat hij met de aannemer had afgesproken dat hij overmorgen zou terugkomen. Hij vroeg zijn vader om mee te gaan. En Dina dacht, dat ook haar vader wel graag mee zou willen, want haar vader en moeder zouden toch zeker ook graag weten waar haar dochter zou belanden.

Dina zelf zou ook wel graag meegaan, maar om dat het hier vooral een zakelijke aangelegenheid betrof, waren de molenaar en ook zijn vrouw van oordeel, dat zij haar nieuwsgierigheid maar een paar weken moest bedwingen. Toen Geert eindelijk naar huis of beter naar het schip ging, dankte de molenaar hem hartelijk voor het vele goede, dat hij Jan de laatste tijd had gedaan. Voordat Jan naar bakker Grünberg ging die avond, ging hij nog even met Dina bij haar ouders binnen. Toen zij het verhaal van Jan hadden gehoord waren zij even een beetje teleurgesteld, omdat de bakker altijd had gedacht, dat Jan nog eens zijn bakkerij, zou overnemen, maar toen zij hun eigen dochter met vuur hoorden pleiten voor het opbouwen van een eigen zaak, toen waren de ouders spoedig voor het plan gewonnen.

Er werd afgesproken, dat ook Vader Schönfeld de molenaar en Jan zou vergezellen. Twee dagen later vertrokken de drie mannen al vroeg in de morgen in een wagen met twee paarden bespannen in de richting van de grens. Voor de twee vaders was het zien van de nieuwe en oude veenkoloniën zeer bezienswaardig. Jan vertelde hen over de veenafgravingen, zoals hij dat vier dagen tevoren van Geert had gehoord.

Zo vloog de tijd voorbij en de volgende dag, tegen het vallen van den avond, kwamen zij voorbij de in aanbouw zijnde bakkerij, de bakkerij van Jan.

Nadat zij wat gegeten hadden en zich wat hadden verkwikt, gingen zij de weg op naar de Borgercompagniesterbrug. Jan was de gids. Hij wees op het drukke verkeer in de buurt, op de scheepvaart en de scheepswerven en landbouw.

Steeds meer kwamen de beide vaders tot de overtuiging, dat Jan een goede keuze had gemaakt!

En toen, op dat ogenblik, gaf zowel de bakker als de molenaar de hoop op, dat Jan nog ooit opvolger in hun eigen bedrijf zou worden. De volgende morgen werd met de timmerman de overeenkomst gesloten. Aan het huis werden nog kleine wijzigingen aangebracht. Maar toen zij het hierover eens waren werd spoedig de reis naar huis weer aanvaard. Twee weken later echter, ging Jan alweer en nu vergezeld van zijn aanstaande vrouw, de grens over om naar Sappemeer te reizen. Het huis was nu zo ver gevorderd, dat de spanten gezet konden worden.

Hij had gehoord van de timmerman, dat als het huis zover gebouwd was, er een klein feestje met traktatie voor de werklieden werd gegeven. Dit noemden ze het richtmaal, omdat dan de spanten opgericht werden.

Daarom was hij gekomen om de traktatie aan te bieden en kon Dina meteen eens zien, hoe het er in haar toekomstige woonplaats uitzag. De traktatie had hij in het rijtuig meegebracht. En toen ’s middags tegen 4 uur de werklieden achter de bakkerij aan lange tafels waren gezeten, trakteerde Jan rijkelijk op brandewijn, jenever of bier naar verkiezing. Verder had hij extra lekkere broden gebakken, zwart van de krenten. De plakken van dit krentenbrood waren dik belegd met geurig gerookte ham of worst.

Het was dan ook geenszins een wonder, dat de mensen de bakkunst van de nieuwe bakker bijzonder prezen.

De aannemer sprak op het eind van de avond een woord van dank en zich tot Jan wendend zeide hij, dat Sappemeer een bakker rijker was geworden, zoals hij er geen tweede kende. Zo maakte Jan reeds nu reclame voor zijn zaak.

Ook Dina was erg tevreden over wat zij gezien en meegemaakt had. De bakkerij viel goed bij haar in de smaak en ook de winkel, de kamer en het achterhuis waren haar zeer naar de zin.

Toen ze de volgende morgen terug reden, waren beiden vervuld met het gelukkige gevoel te weten waar hun toekomst zou liggen. Beiden zeiden niet veel gedurende de rit, maar dachten des te meer over hun toekomstplannen.

De volgende dag, toen zij tegen de avond het laatste traject naar de molen inreden, zagen zij Jans vader en moeder alweer op de borstwering van de molen staan. Bij het zien van deze hartelijkheid en medeleven van zijn ouders kreeg Jan het te kwaad.

Het was maar goed, dat de paarden de weg goed kenden, want Jan vergat op dat ogenblik de teugels, pakte Dina eens hartelijk en kuste haar langdurig.

Toen ze even later bij de molen aankwamen was de bevlieging alweer voorbij, alleen waren de wangen van Dina nog vuurrood. Toen ze ‘s avonds bij de koffie het verloop van hun reis hadden verteld, nam de molenaar het woord en was van oordeel dat zij nu ook niet langer met trouwen behoefden te wachten.

In terwijl hij zijn gezicht naar zijn vrouw keerde zeide hij: “Vind je ook niet vrouw, dat ze als getrouwd span naar Sappemeer moeten gaan? Want Jan moet bij de bakkerij blijven en anders zou hij misschien wel te vaak op en neer moeten reizen.” Zijn vrouw was het deze keer direct eens met dit voorstel.

En ofschoon Jan en Dina dit al besproken hadden, waren zij toch verheugd dat zijn ouders zelf met dat voorstel aankwamen. Dezelfde avond deed Dina het verhaal van haar reis bij haar eigen ouders en sprak ook over het voorstel van de molenaar.

Ook haar ouders hadden daartegen geen bezwaar. Daarom ging Dina de volgende dag naar haar aanstaande schoonouders met het verzoek of zij beiden eens een avondje bij haar ouders wilden komen praten.

In kleine plaatsen is het een slechte gewoonte zodra een paartje gaat verloven of trouwen, deze jongelui zoveel mogelijk af te breken. Ook aan Jan en Dina probeerde zowel de nijd als de afgunst te knabbelen.

Zodra dan ook bekend werd, dat ze binnenkort zouden gaan trouwen en een bakkerij in het Groningerland zouden beginnen, kwamen de tongen los. Maar wat die boze tongen ook fantaseerden of misschien een bestaand gebrek gingen vergroten, er werd door de toehoorders maar weinig geloof aan gehecht.

Er was dan ook maar weinig slechts of beter, minder goeds van dit spannetje te zeggen.

Ze waren beiden nog jong, beiden waren ze pas 23 jaar. Daar was niet lang over te praten. Het duurde dan ook maar enkele dagen toen verstomde het gereutel. 

En van toen af kwamen er van tijd tot tijd kennissen om hen te feliciteren met hun voorgenomen plannen.

Een van de eersten die hen kwam complimenteren was de jonge kapelaan. Hij praatte geruime tijd met de jongelui en luisterde aandachtig naar hun plannen. Vooral was hij vol belangstelling, toen Jan vertelde van de veengraverijen en de industrieën, die daaruit voortkwamen in het Groningerland. Toen zij uitgesproken waren wenste bij hen succes met hun plannen en veel voorspoed in hun zaak

Daarna vroeg hij Jan, om hem eens te schrijven als hij in Sappemeer was en hoe hij het maakte.  Jan vroeg de kapelaan of hij geen zin had om mee te gaan naar Sappemeer, want hij luisterde altijd graag naar zijn preken. Dit was natuurlijk niet mogelijk, want Sappemeer behoorde niet tot hetzelfde bisdom. Maar belangstellend vroeg de kapelaan, waarom hij zo graag naar zijn preken luisterde.

Jan antwoordde, dat dit vermoedelijk kwam omdat de kapelaan aan zijn toehoorders steeds de mooie hemel voorhield en nooit over de verschrikkingen van de hel sprak.

De kapelaan, moest wel even lachen om de opmerkingsgave van Jan, want werkelijk huldigde hij het systeem, dat de spreker zeker meer succes heeft, wanneer hij ‘de zondaar het gemis van de schone hemel laat zien, dan wanneer hij de zondaar de pijnen van de hel laat voelen. Over dit onderwerp werd nog even doorgepraat en toen meende Jan, dat de tijd gunstig was om de kapelaan te verzoeken of hij genegen zou zijn hen te trouwen. Dat zou altijd een aangename herinnering aan de kapelaan blijven. De kapelaan was hiermee zeer ingenomen, maar kon het toch niet direct aannemen, want eerst moest hij er met zijn pastoor over praten.

Maar, terwijl hij reeds opstond om afscheid te nemen, zeide hij, dat hij zijn best zou doen, om het verzoek van Jan ingewilligd te krijgen. 

Een paar dagen later tegen de avond kwam Jan met het rijtuig naar bakker Schönfeld om zijn aanstaande schoonouders te halen voor het afgesproken bezoek. Ook Dina ging mee en zat naast Jan voor in de wagen. 

Het werd een prettige avond zowel voor de respectievelijke ouders als voor Jan en Dina.

Bij deze gelegenheid had de vrouw van de molenaar haar mooiste servies in gebruik genomen. Ook had alles een extra beurt gehad, totdat alles blonk en glom als nieuw.

Al heel gauw ging het gesprek over de jongelui. “Ja”; zeide vrouw Schönfeld, die blijk gaf een goeie. Koopvrouw te zijn; “het beste zal zijn, als zij datgene, wat zij voor hem huis en inboedel nodig hebben, zoveel mogelijk in Sappemeer te kopen. Dat brengt direct een beetje winkelnering mee en van de bakkerij moeten ze straks leven.” 

Dat was goed gezien en vond algemene bijval, zodat ze maar direct een lijstje gingen opmaken, wat er zoal moest aangeschaft worden voor het huis, beddengoed, lakens, slopen, gordijnen en ook meubelen. Als meubelen hadden ze eerst voldoende aan zes stoelen, een tafel, een secretaire en een commode kast. Dan nog wat potten, pannen en serviesgoed.

Toen volgens de bakker lang genoeg over de uitzet van het jonge paar was gepraat, stelde hij voor, dat de vrouwen met Dina mee zouden gaan om zelf het een en ander in Sappemeer te gaan kopen.

Hier hadden de moeders wel oren naar, want dan zagen zij meteen het huis en de omgeving waar hun kinderen hun toekomst zouden hebben. Zo werd besloten, dat zij de volgende week de reis zouden aanvaarden.

Nu werd er nog over de trouwdag gepraat. De vrouw van de molenaar wilde de dag graag op zaterdag 25 april hebben gesteld, dan konden haar dochters nog tijdig bericht krijgen en op de bruiloft aanwezig zijn.

De molenaar en ook de bakker stemden hier direct in toe, want dan zouden zij zaterdags feest kunnen houden en de zondag vast kunnen plakken om wat uit te rusten van de zware dag.

Ook werd er nog gepraat, wie er zoal genodigd moesten worden behalve de naaste familie.

Maar toen de avond ten einde liep, was alles goed besproken en konden ze rustig de trouwdag zien aankomen.

Die zaterdagmorgen was een uitgezochte dag: een pracht voorjaarszonnetje scheen over het vlakke land van Westfalen.

Ofschoon de zaterdag voor de huisvrouwen een drukke dag is, hadden velen het werk in steek gelaten om te zien, hoe de bruid en de bruidegom er wel zouden uitzien. Vooral de meisjes van de leeftijd van Dina toonden veel belangstelling, want vandaag trouwden Jan van de molenaar en Dina van de bakker. Er was dus wel heel veel belangstelling toen ze naar de kerk reden.

En in de kerk gaven vrienden en familie door hun aanwezigheid kennis van de belangstelling die zij voor het jonge paar hadden. Na het evangelie betrad de jonge kapelaan de treden van de preekstoel.

Hij hield ze de plichten van het huwelijk voor en wees hen erop dat zij nu, nu ze niet meer onder de hoede stonden van vader en moeder, ze voor elkaar als beschermengelen moesten optreden, zodat zij elkaar voor vele slechte invloeden zouden beschermen.

Nu kwam hij in aansluiting op het eerste gedeelte van zijn preek op het tweede gedeelte en zeide in warme bewoordingen, dat, die in het huwelijk steeds de goede weg zouden bewandelen een loon zouden ontvangen, van zo grote waarde, van zo’n ongemeten weelde en rijkdom, dat ons klein benepen verstand niet kan begrijpen en ons woordje “hemel” lang niet sterk genoeg is, om al die schoonheid uit te drukken. Nu wijdde de spreker nog even breed uit over de schone hemel. De hemel, de aanschouwing van God. Waar de zielen niet uitgekeken raken van het aanschouwen van Gods hoedanigheden. Steeds meer ontdekken zij nieuwe schoonheden en steeds in oneindige mate. Oneindig goed, oneindig schoon, oneindig heilig.

Dan eindigde de kapelaan, terwijl hij zich naar het bruidspaar keerde, met het uitspreken van de volgende wens.

“Gelukkig bruidspaar, ouders, familie en gelovigen, deze schone hemel wens ik U allen toe, terwijl ik u verzoek ook eens aan mij te denken in uw gebed, op dat ook ik eens waardig mag bevonden worden in die schone hemel te mogen worden opgenomen.” Jan was erg onder de indruk van het gesprokene. Vooral de attentie, dat de kapelaan juist over de hemel had gesproken, waardeerde mij zeer.

Terwijl Jan naast Dina op zijn bidstoel zat voor het altaar, dacht hij nog even na over de plichten in het huwelijk. Intussen vorderde de huwelijksmis steeds meer en kwam spoedig het einde.

Toen ze van de kerk thuiskwamen bij de schoonouders van Jan, was er reeds een groot gezelschap familie en kennissen om de koffietafel gezeten.

Het eerst werden de jongelui gefeliciteerd door moeder Remkes, die zeer ontroert haar nieuwe dochter aan haar hart drukte en op haar beide wangen een dikke zoen gaf. Daarna volgde de vrouw van de bakker, de molenaar en de bakker, die het allen van een stevige handdruk vergezeld lieten gaan. Daarna volgden de broers en zusters, en tantes en verder alle aanwezigen. Toen het jonge paar door allen was gefeliciteerd en er woorden van gelukwens waren gesproken, zette de dikke bakker Grünfeld met zijn zware basstem een “lang zullen ze leven” in. Intussen was de koffie rondgebracht en begon het ontbijt.

Na het ontbijt kwamen er nog enige vrienden, buren en kennissen het jonge paar hun complimenten maken.

Ook kwam de kapelaan. Maar nu was zijn stemming van ernst overgeslagen naar de vrolijke kant. 

Met geestige woorden en grappige zetten wees hij Dina erop dat ze voortaan de onderdanige dienares van Jan moest zijn en zij bonen moest maken als Jan dat wenste; en al lustte zij ook geen bonen, dan nog moest zij bonen koken. Dina vond het niet eerlijk, dat de kapelaan daar nu eerst mee aankwam, want had zij dat eerder geweten, dan was zij zeker niet getrouwd, of misschien wel getrouwd maar dan zeker met omgekeerde rollen. Jan zei, dat zij zich maar niet zo moest opwinden, hij zou het wel met haar vinden en als zij niet van bonen hield, nu ja, dan hoefde ze voor hem ook geen bonen te raken. Zo werden er heel veel aardigheidjes gemaakt waar steeds het jonge paar het middelpunt van vormde. En de zetten waren steeds zo, dat zowel Jan als Dina er het meeste plezier van hadden. Zo ging hun trouwdag voorbij, waaraan zij gedurende hun hele leven een aangename herinnering zouden bewaren. 

De volgende dag en zondag werd besteed om uit te rusten van de vermoeiende dag, zoals de bakker zich uitdrukte. Daarom was hij destijds immers al voorstander geweest, dat de jongelui op zaterdag zouden trouwen. 

De volgende morgen reeds on 4 uur reed Geert de Vries al met de sjees voor de bakkers om zijn vriend Jan met zijn vrouw naar hun nieuwe woonplaats te brengen.

Geert was zeer vereerd geweest met deze opdracht. Graag wilde hij zijn vrienden dat genoegen doen. En ook was hij wel een beetje nieuwsgierig om te weten, hoe de bakkerij was ingericht en hoe hun huishouden er zou uitzien.

In de herbergen waar ze pleisterden werd nog eens lekker gegeten en gedronken, zo bleef de goede stemming van hun bruiloft bewaard.

Toen ze in Sappemeer bij hun woning aankwamen bleek, dat een goede buurvrouw de woning al had schoon gemaakt en zo kwam het, dat de jongelui er zich al direct thuis voelden.

Geert bleef nog een dag en toen nog een dag en eindelijk, toen hij meende dat hij alles goed in zich had opgenomen, reed hij weer naar Kelten terug.

Zo bleven de jongelui alleen achter, Jan in de bakkerij en Dina in de bezigheden van haar huishouding.

Het was voor beiden eerst wel een beetje vreemd De mensen spraken ook een beetje anders dan bij hen thuis, maar het was toch wel heel goed verstaanbaar.

Jan ging al gauw beginnen met het bakken van roggebrood.

Het eerste baksel werd grif uit de winkel verkocht. Daarna bakte Jan opnieuw en vervolgens om de twee dagen. Na een paar weken trok hij er met een paard en wagen op uit en probeerde zo nog meer brood te verkopen. Zo kreeg Jan het langzamerhand steeds drukker. ‘s Nachts bakken en ’s morgens met de wagen er op uit.

 Zo vergingen de weken en maanden. De tijd vloog voorbij, tijd om na te denken hadden ze weinig. Steeds meer eiste de bakkerij hen op. En daarop waren al hun gedachten gericht. Zo ging een jaar voorbij van arbeidzaamheid en arbeidsvreugde en ook het succes bleef niet uit. En toen weer een jaar voorbij was gegaan konden Jan en Dina de balans opmaken. 

En deze viel gunstig uit, want het bleek dat de bakkerij vooruit ging. Ging het al niet hard, toch zat er groei in het aantal klanten. Zo ging er nog een jaar voorbij en toen brak het jaar 1797 aan.

Dit jaar zou voor Jan maar vooral voor Dina een grote verandering in hun dagelijks leven geven. Niet dat de zaken van Jan er verandering van zouden ondergaan, neen, juist niet, het zou juist een reden voor hem worden om zich nog meer in te spannen en te trachten nog meer klanten voor zijn roggebrood te vinden. Want…

Het was op een voorjaarsavond, dat tezamen gezellig bij de koffie trekpot zaten en toen vertelde Dina iets aan Jan.

Jan kon het zich haast met indenken en daarom vertelde Dina het nog eens. En toen het nogmaals tot Jan was doorgedrongen zeide hij: “wat zal mijn vader dat fijn vinden “!!!

Dina lachte; “Waarom zou juist vader dat zo fijn vinden, mijn moeder kan het evengoed fijn vinden; of ben je er zo zeker van dat het juist een jongetje zal worden”! Zo praten Jan en Dina nog een half uurtje over het kindje dat straks in september zou geboren worden. “Zij” wilde zo graag een meisje omdat haar moeder dat zo fijn zou vinden en “hij” wenste een jongen, omdat zijn vader daarmee erg in zijn schik zou zijn.

Zo vermaakten de jongelui zich, terwijl de gedachte aan het nieuwe kindje maar steeds in hun verbeelding bleef zweven. Vooral voor zijn vader zou het een voldoening zijn te weten, dat er een stamhouder en naamgenoot zou komen.

En hoe meer Jan eraan dacht des temeer verlangde hij naar een Nicolaas. Naar een zoon, die hij Nicolaas Remkes zou noemen, alleen Nicolaas zou hij heten, Zoals zijn vader zonder bijnamen. Want ook zijn vader heette alleen Nicolaas.

Hij kreeg het gevoel, alsof hij zijn vader daardoor enige voldoening zou geven en dat zijn weigering om molenaar te worden, dan wel voorgoed in het vergeetboek zou raken. 

Intussen gingen er maanden in stil genoegen voorbij. Beiden dachten aan de blijde gebeurtenis. Op een middag moest Jan bij de Borgercompagniesterbrug met zijn broodwagen even wachten omdat er een paar schepen door de brug gingen. Plotseling hoorde hij van af het water zijn naam roepen.

Hij keek die kant uit en zag zijn vriend Geert. Jan schreeuwde zijn vriend een groet toe en ofschoon hij van plan was om uit te rijden, ging hij direct terug om zijn vrouw te zeggen, dat Geert met zijn schip op komst was. Een ogenblik later legde Geert zijn scheepje voor de bakkerij vast!

Hartelijk was de ontmoeting. Jan kon niet uitgevraagd raken en omgekeerd wilde Geert alles weten van de bakkerij en ook van de komende gebeurtenis.

In de loop van de avond vernam Jan, dat zijn vader de molen had overgedaan aan de zoon van bakker Grünberg. Dus aan de bakker waar Jan de laatste jaren het bakkersvak volledig had geleerd.

De oude molenaar en zijn vrouw woonden me in een zijstraat voorbij de kerk, in het huis waar de laatste tijd de Wed Oswald had gewoond. Vrouw Oswald was deze winter gestorven. Het was een mooi wit gepleisterd huis, ruim groot genoeg voor hen alleen en er was een mooi bloementuintje voor het huis en er achter een moestuin en een boomgaard. Ook vertelde Geert, dat de molenaar ernstig ziek was geweest.

Dat kwam zo, de molenaar was eens op jacht geweest. Het was op een zeer koude herfstdag. Ofschoon hij zich al niet al te fit voelde, was hij toch ’s morgens al vroeg op weg gegaan, waardoor hij erg nat was geworden door de dichte mist. In de loop van de dag had hij onder meer ook een eend geschoten, maar deze was in het water gevallen. Omdat de hond de eend niet had willen ophalen was de molenaar zelf in het water gestapt. Wel had hij waterlaarzen aan, maar toch was hij erg nat geworden.

Toen hij dan ook ‘s avonds thuiskwam, was hij nog doornat en rilde hij van de kou. Ofschoon zijn vrouw hem warme kruiken in het bed bracht en hem veel kinine en cognacgrog te drinken gaf wilde de koorts maar niet minderen. 

Eindelijk na een paar weken was de molenaar weer zover hersteld, dat hij het bed mocht verlaten, maar zo gezond als vroeger was hij niet weer geworden. 

Er was wel geen reden om ongerust te worden maar Geert gaf Jan toch te kennen, dat als hij eens een paar dagen uit de bakkerij gemist kon worden, hij maar eens naar Kelten moest gaan. Toen Jan hoorde, dat zijn vader ziek was geweest en nog niet geheel weer was hersteld wilde hij graag eens gaan kijken. Daarom verzocht hij Geert of hij zijn schoonvader Schönfeld wilde vragen of deze of zijn knecht hem een paar dagen zou willen vervangen.

Geert beloofde dit graag en dacht wel, dat dit zou gelukken.

Eer zij het wisten was deze gezellige avond voorbij, maar Jan kon die nacht maar niet in slaap komen. Steeds dacht hij weer aan zijn vader. Dan weer zag hij hem met pijnlijke reumatiek knieën de trappen van de molen opklimmen. Dan weer zag hij hem naar de wind kijken. Dan weer zag hij hem op jacht gaan door de mistige morgen, ja, eenmaal zag hij hem in het water lopen om een eend te pakken, die maar steeds verder wegdreef of hij zag een oude man gebogen staan voor een wit renteniers-huisje. Steeds weer zag hij zijn vader, maar steeds als een hulpbehoevende, afgetakelde oude man. Hij draaide zich eens om, maar het hielp hem niets. Weer verviel hij in gedachten aan zijn ouderlijk huis, aan zijn moeder, die hij meestal zag aan het einde van de tafel bezig met breien of verstellen. Nog eens draaide hij zich om en merkte toen dat het tijd was om het brood in de oven om te draaien.

Hij sprong het bed uit en wekte zijn vriend. Even later zaten ze aan de koffie en aten hun boterham. Nog even praatten ze na en toen was het tijd voor Geert om naar zijn schip te gaan en werd de terugreis aanvaard.

Geert had blij de berichten over de brengen naar de oude molenaar in zijn vrouw, maar ook aan de familie Schönfeld en daar verheugde hij zich over.

Toen het scheepje de brug al ver voorbij was, wuifde Jan zijn vriend nog vanuit de verte toe.

Daarna ging hij naar de bakkerij om het brood te keren.

Een paar weken later kwam. Schönfeld zelf om de bakkerij van zijn schoonzoon een tijdje waar te nemen. Hij deed het graag, want ook mij wilde de mensen in de veenkoloniën weleens nader leren kennen. Nu had Jan de gelegenheid om zijn vader en moeder eens weer op te zoeken. ’t Was nu drie jaar geleden, dat hij voor het laatst in Kelten was geweest en zijn ouders had gezien. Dina vertelde direct haar grote geheim aan haar vader. Haar vader, die het grote nieuws al van Geert had vernomen en haar het plezier van het vertellen, niet wilde ontnemen, luisterde met veel aandacht en toen ze zeide dat Jan graag een zoon en zij liever een dochter wilde hebben, zeide Schönfeld met een lachend gezicht: ”Weet je wat meisje, maak er dan een jongen en een meisje van dan zijn vader en jouw moeder beide benoemd.”

Allen lachten om deze aardige oplossing en hoopten dat er tweelingen zouden geboren worden, ofschoon ze dat geen van allen uitspraken. Jan ging al gauw op weg, nadat hij zijn schoonvader de bijzonderheden van de bakkerij en de klanten had verteld.

Jan trof goed weer gedurende zijn reis, zodat de paarden er vlug over gingen. Toen hij bij zijn vader en moeder aankwam waren zij kinderlijk blij hun zoon weer eens een paar dagen bij zich te hebben. Jan had zich de toestand van zijn vader veel erger voorgesteld.

Hij was wel wat ouder geworden in gezicht, zijn haar was witter en golfde in zijn nek, maar echt ziekelijk zag hij er toch niet uit. En als hij op zijn praatstoel zat en stevig aan zijn pijp kon trekken zou men niet zeggen, dat hij juist zwaar ziek was geweest.

Ook vertelde zijn moeder hem, dat er bij zijn zuster weer een meisje geboren was en dat was aanleiding om te praten over de bijzondere gebeurtenis, die hem in september te wachten stond.

En hij zeide ook, dat hij op een jongen hoopte om dan zijn vader te kunnen benoemen, want er was nog geen kleinzoon, die Nikolaas Remkes heette. 

Toen de oude molenaar dit hoorde, begonnen zijn ogen te glinsteren.

Hij zeide wel niets, maar zijn gezicht straalde van vreugde en in stilte hoopte hij, dat hem op zijn oude dag dit geluk nog mocht gegeven worden. Ja, een Nikolaas Remkes, al zou die dan ook nooit molenaar worden, als tenminste zijn naam maar bleef voortbestaan.

Zo dacht de oude molenaar en hij dankte reeds nu de Goede God, die hem op zijn oude dag dit geluk nog scheen te willen geven. Ook de moeder was verheugd, omdat haar man kans zou krijgen eindelijk eens benoemd te worden.

Een paar dagen later vertrok Jan weer. Hij was voldaan over zijn bezoek bij ouders vrienden en kennissen en verlangde weer naar zijn vrouw in naar zijn bakkerij. Toen Jan na deze korte vakantie weer in Sappemeer was aangekomen vertelde schoonvader, wat hij zoal van de klanten over zijn schoonzoon had gehoord. En Jan was met weinig gevleid, toen hij hoorde dat zijn brood overal als zeer smakelijk werd geprezen en dat ze het met de jonge bakker overal goed konden vinden. Toen vertrok Schönfeld en nam een goede indruk mee van Jan, Dina en de bakkerij.

8 september 1797 was een koele zomerdag. De grote hitte was voorbij. Een zacht windje speelde door de volgeladen vruchtbomen. Jan was die dag niet met de wagen uitgereden. Kleine voortekenen hadden hem gewaarschuwd niet te gaan. Na de middag zeide Dina: “Ga nu de vrouw maar halen.” Jan was gegaan, haastig, want je kunt nooit weten… En toen de vrouw er was, maakte ze de wieg klaar om er een kindje in te leggen. Die dag werd. Nicolaas Remkes geboren.

Jan leefde als in een roes. Hij was uitgelaten. Jan van vreugde. Hij was vader geworden. Aan ieder, die het maar wilde horen, vertelde hij zijn vreugde. Jammer, dat hij zijn ouders geen deelgenoot kon maken van het genoegen.

De wens van zijn vader en van hemzelf was nu dus vervuld. Wat zou zijn vader genieten, als hij het zou horen. Hij praatte er eens met Dina over, op welke manier ze bericht zouden sturen naar Kelten. Jan, zelf kon nu in geen geval weg, nu Dina in het bed lag.

Het beste was een brief te schrijven en die met de diligence mee te geven. Met de trekschuit kon ook, maar met de diligence ging het toch nog vlugger. Daarna maakten ze samen het bericht op en deze werd per diligence verzonden. Na enige dagen kwam het bericht bij de Molenaar aan. Hij betaalde de vracht en begreep al direct wat de inhoud zou zijn. Nij ging naar binnen en toen zo bij zijn vrouw aan tafel zat, nam hij zijn mes en sneed de enveloppe open.

En wat Jan in Sappemeer al gedacht had, dat gebeurde. Want toen de molenaar had gelezen dat er een kleine Nicolaas was geboren, was hij zeer verheugd. “Kom”, zeide hij tot zijn vrouw; “’t is wel ge zaterdag avond, maar daar moeten we toch eens op drinken, vind je niet?”

Natuurlijk was zijn vrouw daar mee ingenomen en toen dronken zie ieder een citroenbrandewijn op het levensgeluk van hun beider kleinzoon en op zijn naamgenoot.

Ze praatten nog lange tijd over hun kleinzoon en hun kinderen in Sappemeer. Het was destijds toch niet zo gek geweest van Jan om uit Kelten weg te gaan en een nieuw bestaan te zoeken. Nu waren ze gelukkig en als hij tegen zijn zin op de molen was gekomen was het toch allicht op niets goeds uitgelopen. En in Dina hadden ze zich ook niets vergist. Was ze geen flinke vrouw in de huishouding, werken kon ze als de beste, alle, zag er schoon en goedverzorgd uit. Ja, dat alles had ze van haar moeder geleerd en goed geleerd ook. Daarbij was ze gul en hartelijk voor de klanten, dat hadden ze al meermalen gehoord.

Ja, Jan. had daar een goede en geschikte vrouw mee aangehaald. Jan mocht wel van geluk spreken, want als je zo eens rondkeek, en de meisjes eens de revue liet passeren, dan mankeerde hier dit aan en daar dat. Neen een betere vrouw had Jan moeilijk kunnen vinden. En nu was er een jongetje geboren. Ze hadden wel lang moeten wachten eer hun wens werd vervuld, maar nu waren Jan en Dina toch vader en moeder geworden!

En in hun gedachten gingen ze terug, nu 35,5 jaar geleden, toen zij zelf voor het eerst vader en moeder werden, toen hun oudste dochter geboren werd. Vader kon zich die tijd nog heel goed indenken. Wat waren ze blij geweest met hun eerste wichtje, hun eigen vlees en bloed. Toen leefden hun eigen ouders nog. Wat hartelijk waren ze gefeliciteerd. Ja, het was een mooie tijd geweest. En nu maakten hun kinderen die wondere blijdschap mee.

In gedachten zagen ze hun levensloop nog eens voor zich. Na een paar jaar werd hun tweede dochtertje geboren en daarna kwam Jan. Zij zagen hun kinderen opgroeien. Ja, wat was dat een mooie tijd geweest, toen ze nog klein waren. Toen ze groter werden waren ook de zorgen talrijker en groter geworden. Toen de meisjes de huwbare leeftijd hadden, kregen ze kennis en ze trouwden gelukkig. Met hun schoonzoons hadden ze het goed getroffen. Het waren flinke degelijke mannen, waarop niets was aan te merken. Ernstige klachten hadden ze nooit gehad.

Maar Jan was altijd wat moeilijk geweest. Botsingen waren wel niet voorgekomen tussen vader en zoon. Maar toch had de molenaar zo graag Jan gehad als zijn opvolger in de molen. Maar Jan had anders gewild. En het was gelukkig goed afgelopen, maar het bleef voor de molenaar een onprettige gedachte, dat Jan die mooie molen had versmaad. Zijn molen – zijn levenswerk. De molen was nu in andere handen overgegaan. Hij kon er niet toe komen daar nog eens naartoe te gaan. Vanuit de verte zag hij de wieken draaien en als er wel voldoende wind was en de molen toch niet draaide, ergerde de oude man zich. Dan werd hij zwijgzaam, liep wat bij het huis rond en vond nergens vermaak in.

Hij had wel niets meer over de molen te zeggen, maar met zo’n mooie wind en dan niet malen. Daar komt juist de verdienste van, als dat vaak voorkomt blijkt dat er niets te malen is en daar moet een molenaar voor zorgen. Hij had altijd koren genoeg in voorraad liggen, maar deze molenaar schijnt steeds gebrek te hebben. Dat kan nooit goed gaan. Maar de tijd zal het leren. Afwachten, hoe dat afloopt.

Terwijl de molenaar nog aan het peinzen was hoe het later wel met de molen zou aflopen, zette zijn vrouw haar zondagse kanten muts op het oorijzer. Daarna verwisselde ze haar klompen door schoenen. Het was voor haar niet gemakkelijk de schoenen aan te trekken. Ze was al op leeftijd, wat corpulent en ook stijf van het vele werken.

Toen zij eindelijk een luide “hé” liet horen, zat ze in de schoenen. “En nu ga ik even naar bakker Schönfeld om het hun te vertellen.”

Toen ging ze naar de bakker, waar het bericht van de geboorte al evenveel vreugde bracht als bij de molenaar. Wel graag hadden de bakker en zijn vrouw naar Sappemeer gewild, maar de winter stond voor de deur en zo jong waren ze ook al niet meer. Daarom stelde ze het bezoek maar uit tot het voorjaar zou komen.

Twee dagen later op het schemeruurtje trad de jonge kapelaan, die Jan en Dina destijds had getrouwd bij de molenaar binnen. Hij was vrolijk gestemd. Dat kon hij ook zijn, want hij was van dorpskapelaan benoemd tot kapelaan van de Munsterkerk, de grote bisschopskerk in Münster.

Een zeldzame grote sprong had hij dus gemaakt. Hij was dus prettig gestemd en wilde die stemming nu ook graag bij zijn vrienden overplanten. Als eerste ging hij naar zijn beste vrienden, de molenaar en ten vrouw.

Na de eerste begroeting liet hij zich in een rieten stoel neerzinken en begon met een lachend gezicht: ”Ik heb prettig nieuws voor jullie.”

“Zo”; zeide de molenaar; “dat weten we al”. “Wat weten jullie al? Maar wat ik weet kunnen jullie niet weten, want jullie zijn de eersten in de parochie, die ik het kom vertellen.” “Nu, dan weet u wat anders, dan wij weten, hé vrouw”

“En wat weten jullie dan wel, dat ik nog niet weet?”. En terwijl de molenaar even zijn gericht in een vrolijke plooi trok, zeide hij: “Wij hebben bericht gekregen uit Sappemeer, dat er daar een Nicolaas geboren is, wat zegt u daarvan kapelaan is dat goed bericht of niet. En U wist dat toch zeker niet? Wel?”

“Maar dat is een felicitatie waard, wel, wel, en nog wel een jongen, een Nicolaas en hoe gaat het met Dina. Ik ben blij voor u en uw kinderen. Dat is nu echt een stuk hemel” op aarde, hé, vrouw Remkes. Nogmaals mijn beste wensen hoor, en als u ze eens spreekt of bericht stuurt, vergeet dan niet hen mede te delen, dat het me plezier doet, dat het hem zo voorspoedig gaat.”

Ondertussen had de vrouw glaasjes uit de kast genomen en voor ieder een citroenbrandewijntje ingeschonken. Voor zichzelf, deed ze er een schepje suiker bij.

Nadat, ze nu op de gezondheid van hun kleinkind en hun kinderen hadden gedronken, vervolgde de priester: “Maar ik heb ook nieuws, dat meer mijzelf en ook de parochie betreft. Ik ga de parochie verlaten.”

“Och, dat is jammer, erg jammer, dan missen we ook uw hemelpreken. Maar waar gaat, U heen?”. 

“Ik ben benoemd aan de Munsterkerk bij de bisschop!”

” Aai, kapelaan! Dat is geen kleinigheid. De bisschop wil U dus een beetje in de gaten houden of misschien ook luisteren naar Uw hemelpreken. Wat zullen we die nog missen. Jan luisterde er ook altijd graag naar. Ook op zijn trouwdag hebt U daar nog een woordje over gezegd.” 

“Ja, beste mensen, schei daar nu maar over uit. Ik moet naar Munster. En voorlopig zal ik hier wel niet terugkeren, maar als jullie eens naar uw dochter gaan, kom mij dan eens opzoeken.” En zo werd afgesproken en ze beloofden als ze daar eens weer naar toe zouden gaan, ze zeker de kapelaan gaan opzoeken.

Toen de kapelaan allang bij een ander van zijn parochianen was om het nieuws te vertellen, zaten de oudjes bijeen en praatten nog langen tijd over de promotie van hun beminde kapelaan, maar daarna gingen hun gedachten weer de andere kant uit, naar het Noorder naar hun kinderen en kleinkind.

En geleidelijk werden de dagen korter. Langzaamaan werd de lucht kouder. Windvlagen kwamen opzetten. Kille nachten kwamen met sneeuwjachten en toen was het winterdag geworden. En toen het kerstmis was bleven de molenaar en ze vrouw bij het vuur zitten en wachtten op het voorjaar.

En zo verging de tijd. Het voorjaar kwam en ging, de zomer volgde en de herfst trad in. Toen de dagen daarna weer langer werden, werd er te Sappemeer een meisje geboren. Jan stuurde weer bericht naar Kelten, maar nu naar de bakker, want nu was de moeder van Dina benoemd. Ook groeide het aantal klanten van Jan en werd zijn roggebrood steeds meer gevraagd. En het ene jaar volgde op het andere.

De molenaar voelde zich steeds strammer worden in de benen en zijn rug werd stijf van de reumatiek. Zijn haar en baard waren zuiver wit geworden. Dikwijls keek hij naar de molen. Vanuit de keukenkamer kon hij zien of de wieken draaiden of niet. Soms had hij een lach op zijn gezicht als hij zag, dat de molen vrolijk draaide, maar het laatste jaar kwam dat maar zelden voor. Dikwijls ergerde hij zich als de molen stil stond. Zelfs bij flinke wind stond de molen dikwijls stil.

De molenaar leeft van de wind, maar van deze jonge molenaar begreep hij niets. Hoe kon dat op den duur goed gaan. Als je vooruit wilt in de wereld, moet er gewerkt worden en dat moet een molenaar ook. Zo dacht de molenaar over zijn opvolger en het deed hem pijn, als deze niet beter op zijn zaken paste.

Toen het november werd kreeg de oude molenaar aanvallen van hoest. Dan volgde vaak een stekende pijn in zijn borst. Hij nam veel kinine in om de koorts te bedwingen en cognacgrog gebruikte hij als medicijn, maar de hoestbuien werden langduriger en de pijn verergerde.

In die weken van ziekte namen de krachten af. De koorts verzwakte zijn weerstand en dikwijls lag hij na een hoestbui afgemat en verzwakt op zijn bed terneer. Ook kon hij zijn gedachten met meer zo goed vertellen als vroeger. Soms ijlde hij in zijn koortstoestand en zijn vrouw maakte dan moeilijke uren door.

Eens op een nacht was de pijn in zijn borst nog erger geworden en volgde de ene hoestbui op de andere. Zijn vrouw begon het ergste te vrezen en riep daarom een buurvrouw om haar bij te staan als het nodig mocht zijn.

Toen verviel hij in ijlende koorts. Weer zag hij zijn kinderen, zijn dochters, zijn Jan. Jan, die de molen versmaadde, maar tot zijn geluk bakker werd. Zijn molen, die verkocht werd aan iemand, die geen molenaar is. Geen wind, geen winst, zo was het in zijn tijd, maar nu, al was er ook wind, toch draaiden de wieken niet. Waarom draaiden de wieken nu niet, er stond toch een flinke bries? Nu zag hij Jan komen. Ja, het was Jan en zijn vrouw stond bij hem en daarvoor zag hij twee kinderen. Dat moesten dus wel de kinderen van Jan er Dina zijn. Dat waren Nicolaas en Maria. Hij nam ze een voor een op de knie en wipte ermee. Hij bewoog even met zijn benen, maar dat veroorzaakte hem weer pijn in de borst. Een hoestbui volgde. Toen de hoestbui voorbij was, lag hij afgemat neer. Nu draaide het hoofd iets naar het raam. Zijn vrouw en de buurvrouw keken ook die kant uit, de kant van de molen. Zagen ze daar niet iets flikkeren? Was het weerschijn, die rode gloed? Het was niet duidelijk te onderscheiden of het uit de molen of uit de woning achter de molen kwam. De vrouwen keken weer naar de zieke. Hij lag rustig en ademde regelmatig.

Door het raam zagen de vrouwen, dat de molen in brand stond, het vuur had reeds het dekstro bereikt. Steeds hoger lekten de vlammen omhoog. Zwarte schaduwen van mannen bewogen zich op de zandhoogte, waarop de molen gebouwd was. Nu begon de molen te draaien. Het gehele rieten dak stond nu in lichterlaaie. Dikke rookwolken golfden naar de hemel. De wind wakkerde het vuur steeds meer aan.

Plotseling vatte een zeil van de wieken vlam, de een gaf de vlam over aan de andere. In razend tempo draaiden de wieken rond. Een vuurcirkel, een vuurzee op een zwart achtergrond. Een fantastisch gezicht. Plotseling liet een der wieken los, werd een eind door de wind meegenomen en plofte ver weg het land in neer. 

De vrouwen keken angstig naar het schouwspel. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Een brandende molen. Nu waren de wieken afgebrand, een gloeiende kegel wees naar de hemel.

De zieke wendde zijn gezicht naar de vrouwen Een hevige hoestbui volgde. De adem scheen weg te blijven. Plotseling hield het hoesten op: De vrouwen keken vol aandacht toe. De oude molenaar wilde zich oprichten, stak zijn hoofd iets voorover, viel terug. Een diepe zucht volgde … nog een. Dat was de laatste. De molenaar was gestorven. De vrouwen knielden neer om de gebeden voor de overledene te bidden. 

Toen keek de buurvrouw door het raam en zag nog slechts een rokende puinhoop.

Scroll naar boven