Jan Kloppenborg (ca. 1535–1623)

Jan Kloppenborg (ook Johan of Joannes Kloppenborg) werd omstreeks 1535 geboren als zoon van Alef (Adolf) Beckebrock genannt Kloppenborg en diens echtgenote Anna. Hij behoort tot de tweede generatie van de familie Kloppenborg in Freren en Lingen. Dertig jaar na het overlijden van zijn vader zette hij diens werkzaamheden als houtvester van het graafschap Lingen voort. Hij speelde een belangrijke rol bij het behoud van de aan de familie verleende voorrechten.

Gezin

Jan was gehuwd met Anna. Het echtpaar wordt tussen 1573 en 1602 herhaaldelijk vermeld in akten betreffende de vestiging en overdracht van renten. Uit het huwelijk zijn onder meer bekend:

  • Boldewijn Kloppenborg, notaris en houtvester te Freren;
  • Alef (gen 3) Kloppenborg, stamvader van de latere Frerense hoofdlijn.

Mogelijk had het echtpaar nog andere kinderen.

Loopbaan

Jan verschijnt voor het eerst in de bronnen in 1562, toen hij namens zijn door ziekte verhinderde vader optrad voor het gerecht. Na het overlijden van Alef in 1564 zette hij niet direct diens werkzaamheden als houtvester (Holtforst) van het graafschap Lingen voort, maar is dertig jaar later toch houtvester.

In 1578 legde hij een verklaring af voor het gerecht te Lingen over de ambtsperiode van zijn vader onder keizer Karel V. Deze verklaring vormt tevens een belangrijke bron voor het vaststellen van het overlijdensjaar van Alef Kloppenborg.

Naast zijn functie als houtvester trad Jan regelmatig op als getuige of bijzitter bij gerechtelijke en bestuurlijke handelingen. Hij komt voor in akten waarin ook leden van regionale adellijke families, waaronder de familie Van Schnetlage, worden genoemd.

De bevestiging van de familieprivileges

Van bijzonder genealogisch en historisch belang is Jans optreden in 1576. In dat jaar liet hij te Zwolle door de kanselier en raden van de koning van Spanje, destijds landsheer van het graafschap Lingen, een officieel afschrift (vidimus) vervaardigen van de oorkonde uit 1538 waarin graaf Nicolaas IV van Tecklenburg aan Alef Kloppenborg en diens nakomelingen verschillende privileges had verleend.

Deze privileges omvatten onder meer een vrijstelling van bepaalde lasten en het recht op houtgebruik in het Settruper Woud. Doordat Jan de oorkonde officieel liet bevestigen, bleef de inhoud ervan bewaard en kon zij ook in latere procedures als rechtsgeldig bewijs dienen.

Dat deze voorrechten aan het einde van de zestiende eeuw nog steeds werden erkend, blijkt uit de Codex Lingensis, een rond 1593 door Bernard Menger samengestelde codificatie van het Linger recht. Daarin wordt vermeld dat Alef Beckebrock genannt Kloppenborg de eerste houtvester was die schat- en dienstvrij was. Tevens wordt expliciet vastgesteld dat deze privileges ook golden voor houtvester Jan Kloppenborg en diens erfgenamen, ook wanneer erfgenamen van andere houtvesters hun ambt niet opvolgden. De Codex Lingensis vormt daarmee een onafhankelijke bevestiging dat de aan de familie verleende vrijstellingen niet als persoonlijke gunst werden beschouwd, maar als erfelijke rechten die ook voor Jans nakomelingen bleven gelden.

Vermogen en maatschappelijke positie

Uit verschillende rentebrieven blijkt dat Jan over een aanzienlijk vermogen beschikte. Tussen 1573 en 1602 investeerde hij bedragen van enkele honderden tot ongeveer duizend rijksdaalders in jaarrenten. Tevens wordt hij in de bronnen aangeduid als een vrij man, een status die binnen de toenmalige samenleving een bijzondere rechtspositie inhield.

Overlijden

Jan Kloppenborg overleed op 5 april 1623 te Lingen en werd de volgende dag begraven.

Zijn nageslacht zette de maatschappelijke positie van de familie voort. Zoon Boldewijn volgde hem op als houtvester en notaris, terwijl zoon Alef (generatie III) de stamvader werd van de latere Frerense hoofdlijn, waaruit onder meer de voogden van Freren en uiteindelijk de Nederlandse tak van de familie voortkwamen.

meer over Jan Kloppenborg

verder naar zoon Alef

Scroll naar boven